Posts tonen met het label vilbeluik. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vilbeluik. Alle posts tonen

donderdag 22 september 2016

Honden- en kattenvellen Dog- and cat skins

Animal rendering - Destructie Column part 30
Please scroll down for the English version

Op vele vilderijen werden ook dode honden en katten gevild. In onder andere Duitsland moesten de vilders niet alleen de wilde honden en katten vangen, maar ze ook doden. Als er sprake was van een enkele hond of kat werd deze verdronken of meestal met één klap doodgeslagen. Bij een grotere aantallen werden de dieren vergiftigd of met koolmonoxide vergast. In Frankrijk werden levende zwerfhonden en katten eerst naar een speciale “opvang” gebracht, waar ze werden afgemaakt en naar de vilder gebracht. In Parijs verzamelden de voddenrapers de dode honden en katten en brachten ze naar de vilderijen.. “Verse” honden- en kattenkadavers werden niet alleen gevild maar ook zorgvuldig uitgeslacht. Om de bout niet meer als dat van een hond of kat herkenbaar te laten zijn, werden de onderpoten, de kop en de staart er afgesneden. Alleen verse kadavers kond men zo “verhandelen” en daarom vingen de voddenrapers ook honden en katten, die ze dan levend en wel naar de vilders brachten. Op de vilderijen waren dan ook geregeld vastgebonden honden en katten wachtend op hun trieste lot. Niet zelden werden deze dieren ook door rondzwervende “honden- en kattenmeppers” aan de vilders verkocht.

Hondenleren handschoenen
Het schijnt dat hondenvellen zeer geschikt waren voor het maken van handschoenen. In Duitsland was het in de zeventiende en achttiende eeuw heel gebruikelijk, dat de vilders verplicht waren om jaarlijks de stads- en dorpsbestuurders hondenleren handschoenen te geven.


Dog and cat skins

On many knackeries also dead dogs and cats were skinned. In Germany the Skinners not only had to only capture the wild dogs and cats, but they have also to kill them. If there was only a single dog or cat was the animal drowned or hit mostly with one beaten to death. At a larger numbers of the animals they were poisoned or gassed with carbon monoxide. Stray dogs and cats living in France were brought first to a special "care", where they were killed and then brought tot he knackery. In Paris the rags-collectors collect the dead dogs and cats and took them to the knackeries. "Fresh" dog and cat carcasses were not only skinned but also carefully slaughtered. To reach that the quarter was not anymore recognizable as that of a dog or cat the lower leg, the head and tail cut off . Only fresh bodiescould be traded and therefore the rags caught the dogs and cats aliveand took them still alive and well tot he knackeries. On the knackeries were regularly tied up dogs and cats waiting for their sad fate.

Gloves made of dogs-leather
it seems that dogs leather was very suitable for making gloves. In Germany it was very common in the seventeenth and eighteenth centuries, that the skinners were obliged to provide every year the city- and villagedirectors with dogs leather gloves.



Vaak rondzwervende honden- en kattenmeppers brachten honden en katten dood of levend naar de vilderijen.
Often roaming dog and cat catchers brought dogs and cats dead or alive to the knackeries
Bron afb. wikimedia commons

woensdag 11 februari 2015

Het ontstaan van het “hart” van de destructie . The birth of the center of animal rendering

Animal Rendering - Destructie Column part 16
Please scroll down for the English version

Het ontstaan van het  “hart” van de destructie   
In de zeventiende en achttiende eeuw deden Papin en Pasteur vindingen, die een definitieve doorbraak zouden vormen voor nieuwe verwerkingsmethoden voor kadavers en dergelijke. Zij werden voortaan niet alleen meer onschadelijk gemaakt maar konden meteen ook worden omgezet in nuttige producten.

Met de vindingen van Papin en Pasteur is de destructieautoclaaf of “rendering cooker” geboren: het met verzadigde stoom onder druk onschadelijk maken en doen uiteenvallen van kadavers en ander dierlijk afval.

Hoe zat dat?

Rond 1850 ontdekte Louis Pasteur dat rotting, bederf en diverse ziekten werden veroorzaakt door bacteriën en dat koken in water niet alleen rot en bederf stopt maar ook de ziektekiemen doodde. Het proces van kortstondige verhitting van een product waarbij de schadelijke bacterien worden vernietigd, zonder het product zelf te beschadigen is met de naam “pasteuriseren” dan ook naar hem vernoemd.
Dankzij het werk van Pasteur en doordat kadavers en dergelijke zelf al voor 75% uit water bestaan, ontdekte men dat zij alleen al door een hittebehandeling onschadelijk werden gemaakt. Het was dus niet persé nodig ze te verbranden.

Denis Papin ontdekte niet alleen dat bij een hogere druk water bij een hogere temperatuur kookt. Rond 1679 ontdekte hij ook dat groenten, vlees en zelfs botten bij hogere druk veel sneller en gemakkelijker “gaar” werden.  Hij deed zijn ontdekkingen met een ijzeren ketel, waarop het deksel volledig afsluitbaar kan worden vastgeklemd: de Papiniaanse Pot. Om exploderen te voorkomen ontwikkelde hij ook de eerste veiligheidsklep.

In 1681 maakte hij in zijn uitvinding een krachtige en voedzame bouillon door botten door vlees in drie uur bij een druk van 2-3 atm. en een temperatuur van 121-135 °C  te verkoken. Deze druk verkreeg hij mede door het tot stoom verdampende water. Deze bouillon deelde hij dan uit aan de armen.
Papin zag het sneller gaar worden van vlees en botten als een soort “verteren” en noemde zijn apparaat een daarom een “digesteur”.
Onder meer vanwege het explosiegevaar zou het nog een eeuw duren voordat Napoleon de Papiniaanse Pot in zijn legerkeukens zou gaan gebruiken en in de tweede helft van de negentiende eeuw begon hij de opmars als “autoclaaf”. Uiteindelijk veroverde de Pot in 1915 als “snelkookpan” ook de huishoudingen in de wereld.

Vanaf ongeveer de tweede helft van de negentiende eeuw tot vandaag de dag is, dankzij de vindingen van Papin en Pasteur de destructieautoclaaf of “rendering cooker” nog steeds het hart van de destructie.

The birth of the center of animal rendering
In the seventeenth and eighteenth centuries  Papin and Pasteur did inventions, which would constitute a final breakthrough for new processing methods for animal carcasses and so on. They were now not only more destroyed but they were made inoffensive and could also be converted into useful products.
With the inventions of Papin and Pasteur the rendering cooker was born: With saturated steam under pressure making inoffensive and disintegrate the animal waste.

How was that?

Louis Pasteur discovered around 1850 that rotting, decay and various diseases were caused by bacteria and that cooking in water not only stops rot and decay but also killed the disease-germs. The process of momentary heating of a product where the harmful bacteria are destroyed, without damaging the product itself is named after him "pasteurization".
Thanks to the work of Pasteur and because carcasses and such already exist for 75% water, it was discovered that they were made harmless by heat treatment alone. So it was not necessarily needed to burn them.

Denis Papin discovered not only that at a higher pressure water boils at a higher temperature. Around 1679 he also discovered that vegetables, meat and even bones at higher pressures were much faster and more easily "cooked".  He did his discoveries with an iron boiler, which can be clamped the lid fully secured: the (steam)digester. By the way To prevent explode he developed also the first safety valve.

In 1681 he made in his invention a powerful and nutritious broth by bones by cooking meat in three hours at a pressure of 2-3 atm. and at a temperature of 121-135 ° C. He obtained this pressure, by evaporating the water from the meat into steam. The broth he shared out to the poor.
Papin considered this fast cooking of the meat and the bones as a kind of digesting  and called his device therefore a "digesteur" or digester.
Because of the risk of explosion it would still take a century before Napoleon will use the steamdigester in his army kitchens and in the second half of the nineteenth century the digester began the advance as "autoclave". Eventually the digester captured in 1915 as "pressure cooker" the households in the world.


From about the second half of the nineteenth century until nowadays thanks to the inventions of Papin and Pasteur the autoclave as rendering cooker is still the heart of animal rendering: 


Ondanks al zijn briljante uitvindingen sleet Denis Papin zijn laatste levensjaren Londen in eenzaamheid en armoede. Door de gehele wetenschappelijke wereld vergeten stierf hij rond 1710. Zijn precieze sterfdatum is onbekend ….   
  
Despite all his brilliant inventions lived  Denis Papin the last years if his life out in London in loneliness and poverty. Throughout the scientific world's forgotten he died about 1710. His precise date of death is unknown ....   
bron http://en.wikipedia.org/wiki/Denis_Papin

dinsdag 9 december 2014

Eten wat de vilderspot schaft…Take (skinners)potluck..

 Animal Rendering - Destructie Column part 14
Please scroll down for the English version

Eten wat de vilderspot schaft…

In grote delen van onze moderne wereld moeten wij er niet aan denken maar zeker tot in het begin van de negentiende eeuw werd kadavervlees gewoon gegeten. De vilders van toen wisten blijkbaar - als ervaringsdeskundigen - hoe dat zonder gevaar voor hun gezondheid kon.  

Onderzoekers hebben van de vilders op het Parijse Montfaucon toen ook aangetoond dat zij – ondanks de vreselijke stank en andere weerzinwekkende omstandigheden – niet alleen kerngezond waren maar zelfs ook oud werden.  Niet zelden werden de vilders 60-70 jaar oud en  bijna allemaal zijn ze aan ouderdom gestorven. Eén van hen is zelfs 84 jaar oud geworden.
En dat was in die tijd echt stok en stok oud!

Met het oog op deze Decembermaand enkele vildersrecepten uit die tijd…..

Net zoals wij tegenwoordig bouillon trekken uit een soepbot, zo deden de vilders dat ook.   
Pezen en stukken werden fijn gesneden en met tienmaal zoveel water plus een gele raap met peper en zout 6 tot 8 uur lang gekookt. Na zeven liet men de opgevangen vloeistof rustig afkoelen tot een krachtige en uiterst voedzame gelei.

Vlees van nog verse kadavers op de vilderijen ook gegeten . Het vlees werd met huid en haar in zodanige stukken gesneden, dat het in de speciaal daarvoor bestemde kookpot paste. Deze pot werd eerst half gevuld met water en aan de kook gebracht. Dan kwam het eerste het stuk vlees erin dat men net zolang liet koken, totdat de haren los lieten. Het stuk vlees werd uit de kookpot gehaald en de haren eraf geschraapt. Dit “recept” herhaalde men net zo lang totdat alle stukken vlees op deze wijze waren “bereid”.  Tenslotte bracht men het vlees met zout en eventueel peper op smaak… Door dit vlees vervolgens op hete stenen of een hete ijzeren plaat uit te drogen, kon dit gedurende lange tijd worden bewaard. Het uitgedroogde vlees kon later in dunne plakjes of na weken of opkoken in water weer worden gegeten.
Het kookvocht ging na zeven, om de haren te verwijderen, en afkoelen naar de varkens.

Vlees, dat niet meer door de mens kan worden gegeten kon tot varkensvoer worden verwerkt door het te mengen met gekookte aardappelen. Verbrokkelen van het vlees en mengen met graan gaf een heel goed kippenvoer, dat kippen graag lusten en waarvan ze goed groeiden.

Gekookt bloed, gelei en kleine stukjes vlees werden gemengd met brooddeeg voor brood.  Meteen nadat zo’n brood gebakken was, werd dit in plakken gesneden en in een oven uitgedroogd. Op een droge plaats werd dit als voedselvoorraad bewaard.

De vilder kookten vlees niet alleen ook werd het gebraden .Hiervoor moest dan wel de huid nog aan het vlees vast zitten. Eerst werden met kokend water en door schrapen de haren van de huid verwijderd. Dan werd het vlees met de huid naar onderen in een schotel van gebakken aarde of in een pan gelegd, een weinig water toegevoegd en werd het geheel op het vuur gezet. De schotel of de pan werd afgesloten met een deksel, met daarop gloeiende kolen.  Op deze wijze had men dan een soort oven, waarin het vlees werd gebraden. Het vleesvocht liep naar beneden maar kwam daarbij niet verder dan de huid, waardoor het vocht in het vlees bleef en er zo een smakelijk, zacht en mals stuk vlees werd verkregen.

Tenslotte werden mits voldoende vers en niet aan een of andere ziekte doodgegaan aten de vilders en hun gezinnen niet alleen (kadaver)vlees van paarden, koeien,varkens en schapen maar ook dat van honden, katten en zelfs ratten. In nood zelfs ook marters, hoewel deze – hoe vers ook – stonken en daarom alleen maar gegeten werden als er echt niets anders meer was.

Smakelijk eten, Bon Appetit, Enjoy yor meal , buen apetito, Velbekomme, slamat makkan


Voor het overige wens ik U allen een zalig Kerstfeest en een gelukkig en voorspoedig 2015


Take (skinners)potluck..

In large parts of our modern world - now we must not think about that - but certainly in the early nineteenth century cadaver meat was just eaten. The skinners of that days apparently knew - as experts - how the coud do that without any danger for their health.

Researchers have shown that the skinners of the knacker-yards of Montfaucon near Paris  - despite the horrible smell and other horrific circumstances – were not only as sound as a roach but they also grew old. Not infrequently the skinners grew 60-70 years old and almost all of them have died of old age. One of them has become even 84 years.For that times that was very elderly!

In view of this month of December I give you some “skinner recipes” from that time ... .

Just as we now draw broth from soup-stock, so did the skinners too.
Tendons and pieces of skin were chopped and cooked for 6-8 hours with ten times as much water plus a yellow turnip with salt and pepper. After straining the collected liquid is allowed to cool quietly to a powerful and highly nutritious jelly.

Meat from fresh carcasses of fallen livestock was also eaten by the skinners. The meat  with the skin and hair in cut in such a way, that it just fits in a dedicated cooking pot. This pot was first half filled with water and brought to boil. Then the first piece of meat was put in it and was cooked until the hair let loose. The piece of meat was taken out from the put and the hair was scraped off. This "recipe" was repeated  until in this way all pieces of meat were prepared. Finally, one brought the meat with salt and pepper to taste ... Then by drying out this meat on hot stones or a hot iron plate, this meat could be kept for a long time. Later the dried-out meat could be cut in thin slices, weekened or boiled in water to be eaten.
The cooking liquid was strained in order to remove the hair, and cool down and given as food to the pigs.

Meat, which no longer can be eaten by humans could be processed to pig food by mixing with boiled potatoes. Crumble of the meat and mixing it with corn results in a very good chicken food, that chickens like and of which they grew well.

Cooked blood, jelly and small pieces of meat were mixed with bread dough for bread. Right after such a bread was baked, this was sliced and dried in an oven. This was kept in a dry place as food supply.
Skinners not only cooked meat they also roasted it. To do so it was necessairy that the skin is still stuck to the meat. After it was boiled in water by scraping the hair was removed from the skin . Then the meat with the skin downward was put in a dish of pottery or in a pan, added a little water to it and the whole were put on the fire. The dish or the pan closed with a lid, with glowing coals upon it. In this way, one had a kind of oven, in which the meat was roasted. The meat moisture ran down but it came not beyond the skin, causing the moisture in the meat remained and so a tasty, soft and tender piece of meat was obtained.

Finally on condition that it was fresh and not from an animal died to one or other disease the skinners and their families eate not only (carcass) meat of horses, cows, pigs and sheep but also that of dogs, cats and even rats. In need they eate even martens, although this – how fresh – they stinks and therefore martens were only eaten if there really was nothing else.

Smakelijk eten, Bon Appetit, Enjoy yor meal , Buen apetito, Velbekomme, Slamat makkan


For the rest:  I wish you all a Merry Christmas and a Happy, healthy  and Prosperous 2015



Bron: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Hendrik_Valkenburg_Old_Kitchen_1872.jpg


maandag 10 november 2014

Strijd tegen de stank  -   the fight against stench

Animal Rendering - Destructie Column part 13

Please scroll down for the English version


De steeds maar aanhoudende strijd tegen de stank…. (Smelten met zuur deel 2)
We zullen deze vaak zeer ongelijke strijd in mijn blog regelmatig terug gaan zien. De “wapens” voor deze strijd waren - zeker voor de vilders van vroeger maar aanvankelijk ook voor de latere destructiebedrijven en destructiebedrijfjes - lange tijd zeer beperkt, primitief, gebrekkig en duur. Toch gingen en gaan zij - ook nu nog - die strijd telkens weer aan. Met zeer wisselend succes. Soms met en eclatante overwinning dan weer met een diepe, verpletterende en vernederende nederlaag.
Net als de strijd van mijn lage landje bij de zee (Nederland)

Zo gaf het uitkoken in de open kuipen of ketels van kadavers en dergelijke in zuur meer stank dan het alleen in water uitkoken. Op verschillende manieren trachtte men deze stank te bestrijden.
De Fransman d’Arcet bijvoorbeeld gebruikte een koperen ketel met een sluitend deksel voor het koken van dierlijk afvalmateriaal in zuur. Omdat het materiaal geregeld geroerd moest worden had d’Arcet het deksel met een scharnier in twee delen verdeeld waardoor het deksel net voldoende open kan om te kunnen roeren.
De ketel is samen met een vuurhaard ommuurd en het geheel had een schoorsteen. De stinkende dampen uit de ketel verlieten de ketel door de trek van de schoorsteen en gingen naar de vuurhaard, waar zij werden verbrand en samen met de rookgassen door de schoorsteen gingen. Door de verbranding was de stank iets minder maar de verbrandingsgassen waren nog steeds - zacht gezegd - zeer onwelriekend. Door de hoogte van de schoorsteen en de trek daarin werden de rookgassen meer of minder verdund en bij relatief kleine hoeveelheden was de stank in de directe omgeving inderdaad minder. Deze vermindering werd echter weer te niet gedaan, wanneer er meer kadavers werden verwerkt. Door dezelfde hoogte en trek van de schoorsteen was de stank echter wel op grotere afstand nog duidelijk te ruiken. En hoe meer materiaal werd verwerkt hoe meer het op een grotere afstand stonk…...

Rond 1870 verkookte de Duitser Vohl de kadavers in zuur ook in een gesloten ketel, waarbij hij de stinkende dampen uit de ketel eerst in een vat over lagen kalk liet stromen, waarbij alvast een eerste een deel van de stinkende gassen en dampen aan de kalk worden geadsorbeerd. Vervolgens gingen de gassen en dampen door een met cokes gevulde kolom. Tijdens hun weg omhoog werden nog meer van de stinkende gassen geadsorbeerd of gecondenseerd. Pas dan werden de resterende gassen en dampen onder in het vuur geleid, waar zij werden verbrand. De condens werd naar de riolering afgevoerd.  
Wanneer de cokes “verzadigd” was, werd dit als brandstof verstookt. De verbruikte kalk werd gestort. Ook deze oplossing was maar beperkt toereikend. Zij voldeed dan wel bij kleine hoeveelheden maar ook hier begonnen de problemen pas echt wanneer de hoeveelheden toe namen.

the fight against the stench - (melting in acid part 2)
The ever persistent fight against the stench. We will see this - often very unequal - fight regulary back in my blog. The "weapons" for this battle were for a long time still very limited, primitive, flawed and expensive; certainly for the skinners of the earlier times but initially also for rendering companies and - businesses. Yet they went and are still going into that fight over and over again. . With strong varying success.  Sometimes with brilliant and resounding victory then again with a deep, crushing and humiliating defeat . Like we Dutch with our fight against the see.

So gave the boiling in open tubs or kettles of cadavers and such in acid water more stench than boiling only in water. There is always tried to combat this stench in different ways.
For example, the Frenchman d'Arcet cooked this animal waste material with acid in a copper kettle with a fitting lid. Because the fact that the material had to be stirred regularly  d'Arcet divided the lid with a hinge into two parts so that a part of the lid could be opened just enough to be able to stir.
The kettle was enclosed together with a fireplace in which the fireplace had a chimney. The evil-smelling fumes from the kettle leave the kettle by the draw of the chimney and are goiing to the fire, where they are burned and leave together with the flue gases through the chimney. By burning the fumes the stench wass somewhat less but also the combustion gases were still  evil-smelling. By the height of the chimney and the draw the flue gases were more or less diluted and at relatively small amounts the stench in the immediate vicinity was indeed less. This reduction, however, was nullified, when more carcasses are processed.
However  by the height and draw of the chimney, the stench was still on greater distance clearly to smell. And the more material was processed the more it at a greater distance stank......


Around 1870 the German Vohl processed carcasses in acid in a closed boiler, taking the smelly fumes from the boiler into a barrel where he lets the fumes flow over lime layers, where a first part of the smelly gases and vapours werd adsorbed to the lime.  Then the gases  and vapours went to a column packed with cokes. During their way up even more of the smelly gases were adsorbed or condensed. Only then the remaining gases and vapours went to the bottom of the fire, where they were burned. The condensation was drained to the sewer system.  When saturated the cokes was used as a fuel. The spent lime was dumped. Also this solution was at a very limited stage adequate. They satisfy at small quantities but real the problems started as soon as the quantities of processed materials  increases.

Renderers persistent fight against stench

Bron:  http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Nasothek_(Nasen).jpg





donderdag 9 oktober 2014

Vetsmelten met zuur Rendering with acid

Animal Rendering - Destructie Column part 12

Please scroll down for the English version

Naast het droog- en het natsmelten in open ketels ging men in de negentiende eeuw bij het smelten zuur aan het water toe voegen. Zo werd er meer vet gewonnen doordat zuur een extra open brekende inwerking heeft op de celwanden. Met zwavelzuur ging dat het beste.   

De kadavers en delen daarvan lagen in met lood beklede houten kuipen in geconcentreerd zwavelzuur. Behalve in deze kuipen werd dat ook wel gedaan in met gips en tegels bekleedde groeves of in vaten van “gres” .  Gres is een tegen zuur en hoge temperatuur bestand keramische materiaal en bovendien voor de meeste vloeistoffen ondoordringbaar. 
Dikke loden platen moesten er voor zorgden dat de hele zaak goed onder gedompeld bleef.
Na een dag of tien was het geheel in de kuip veranderd in een stroperige, donkerbruine brij met daarop een laag vet.  Hooguit bleven hierbij tanden, kiezen, hoeven en horens over.
Het vet was bijna zwart en van een dusdanige slechte kwaliteit, dat dit amper nog verbeterd kon worden. De brij werd in een cementen kuil tot een vaste stof gemengd met beendermeel, waarbij het overtollige zuur werd geneutraliseerd. Na vermalen had men een goed strooibare “kunstmest. Ook miltvuurkadavers werden zo verwerkt en omgezet in geheel onschadelijk vet en kunstmest.
Op vele vilderijen in met name Frankrijk en Duitsland werd tot aan het einde van de negentiende eeuw zo gewerkt. In Amerika was het proces van Gotleb uit 1869 hiermee  vergelijkbaar. Door de slechte kwaliteit van het vet en het gevaar van het werken met geconcentreerd zuur voor de vilders zelf, werd deze verwerking vrij snel in de eerste helft van de twintigste eeuw verlaten.

Een andere methode was het in gietijzeren ketels koken van kadavers en afgekeurd vlees in verdund zwavelzuur.  In het Duitse Erfurt werd rond 1900 alle kadavers en alle afval van de slachthuizen uit de hele omgeving zo verwerkt.
In plaats van gietijzeren ketels werden toch ook weer de houten met lood beklede kuipen gebruikt. Het koken deed men dan door met stoomlansen direct stoom in de kuip bij het materiaal te spuiten, zodat meteen ook de inhoud van de kuip constant in beweging werd gehouden. De kadaverdelen moesten echter wel steeds weer worden ondergedrukt. Het met verdund zuur verkregen vet was duidelijk van een betere kwaliteit.

In Parijs was er aan het einde van de negentiende eeuw een bedrijf, waar men met 12 van deze kuipen per dag 12 000 tot 17 000 kilo kadavers, slachtafval en ander vethoudend materiaal verwerkte. Dit bedrijf had het alleenrecht om alle kadavers en vetachtig materiaal, afkomstig uit de Seine te verwerken. Men had hiervoor speciale brede schuiten met een zelfsluitend dek. Elke schuit had een stuurman, een belader en een hond om de kadavers op te sporen. De belader "prikte” dan het kadaver aan een pikhaak, liet de “lucht” uit het kadaver ontsnappen en trok het vervolgens op het dek aan boord. Door zijn gewicht viel het kadaver door het dek in het ruim waarna het dek zich weer sloot. Uiteindelijk ging alles in vaten naar de fabriek.
Later hadden ze een soort kofferdammen in de rivier om alle drijvende materiaal op te vangen. Hierdoor was er voor het ophaalwerk maar één man per boot nodig.
Per jaar werden zo duizenden kadavers uit de Seine gevist. Het hieruit gewonnen vet werd als wagensmeer verkocht.

Rendering with acid
 In addition to the dry- and wet rendering of fat in open kettles in the nineteenth century one started with adding acid to the melt water. in that way more fat was obtained because of the fact that acid has extra open breaking effects on the cell walls. The best results were obtained with sulphuric acid.   In with lead-lined wooden tubs the animal carcasses and parts thereof lay in concentrated sulfuric acid.  Except in these tubs this was also done in with plaster and tiles faced ditches or in barrels of "gres" or glazed stoneware.  Gres is a ceramic material high resistant to acids and high temperatures and it impermeable for most liquids. 
Thick lead plates upon all had to ensure that the whole thing remained well submerged.
After a day or ten was the whole in the tub was changed into a syrupy, dark brown mess  with a black layer of fat on top of it..  At most, teeth, hooves and horns remained. The fat was almost black and of such poor quality, that this hardly could be improved. In a cement pit the mess was mixed with bone meal to a solid and at the same time the excess of acid was neutralised. After grinding one had a good spreadible "fertilizer”. Also anthrax carcasses were so processed and converted into completely harmless fertilizer and fat.
In particular France and Germany in many knacker-yards was worked so until the end of the nineteenth century. In America the process of Gotleb from 1869 was quite similar with this procedure. Due to the poor quality of the fat and the danger of working with concentrated acid for the skinners themselves, this processing was abandonned quite fast in the first half of the twentieth century.

Another method was the cooking in cast iron boilers of animal carcases and condamned meat in dilute sulfuric acid.  In the German Erfurt all animal carcases and offal from all the whole environment were so processed.
Instead of cast iron boilers were - again - the lead-lined wooden tubs used. Boiling with steam lances was done by directly injecting steam in the contents of the tub, so that these contents constantly kept stirred. However, the carcass-parts had to be submerged again and again. The obtained fat was clearly of better quality.

At the end of the nineteenth century a Paris company processed with 12 of these tubs each day 12 000 to 17 000 kilogrammes of animal carcases, offal and other greasy material. This company had the exclusive right to process all animal carcases and fatty material from the Seine. One use a special wide barges with a self-closing deck. Each barge had a mate, an assistant and a dog to trace the carcasses. The assistent "poked" than the cadaver to a boathook, let the "air" escape out of the carcass and then pulled it on the deck on board. By its weight the carcass fell through the deck and the deck closed again. At the end everything went in barrels to the factory. Later they had a kind of cofferdams in the river to catch all the floating material. As a result, only one man per boat was needed for the pick-up work. Every year thousands of carcasses were fished from the Seine.  The fat was sold as wheelgrease.

Vetsmelten met zuur
Rendering fat with acid

Bron: Paulian, Louis. La Hotte du chiffonnier. 1910. BnF Gallica
                                         


woensdag 10 september 2014

Het begin van de verdere winning van vet uit dierlijk afval The start of rendering of fat from offal

Animal Rendering - Destructie  Column part 11

Please scroll down for the English version

Al die tijd, toen er nog geen aardolieproducten waren, was vet duur en was het de moeite waard om uit kadavers ook nog de kleinste beetjes te winnen. Hiervoor kookte men ingewanden, botten en allerlei andere kadaverresten.
Wanneer dit “droog”, dus zonder toevoegen van water gebeurde, werd alles vaak te heet en verschroeide niet zelden het vet. Om dit te voorkomen kookte men het materiaal  in (zout) water uit; het zogeheten “nat smelten”. Het gesmolten vet kwam op het water drijven, werd afgeroomd en in vaten gedaan.
Tot ver in de negentiende eeuw gebeurde zowel het droog als het nat smelten onder de normale druk van 1 atmosfeer.

Deze twee werkwijzen waren de nog primitieve voorlopers van de tegenwoordige destructie door de “natte” en “droge” methode ofwel de “wet rendering” respectievelijk  “dry rendering” 

Tegenover het voordeel dat bij “nat-smelten” het vet niet schroeide stonden - bij deze nog eenvoudige methode - de nadelen dat niet alle vetcellen open barstten en dus niet alle vet uit smolt. Bovendien moesten – toen nog handmatig - de vlees(delen) en botten telkens weer onder water worden gedrukt.   

Om zo min mogelijk vet verloren te laten gaan werden de vlees- en botresten uitgeperst. De lepel en de schuimspaan werden hierbij al snel vervangen door een pers, die te vergelijken was met die voor wijn of olijven.  Bij de “open” persen, kwamen de nog hete uitgekookte resten in zakken of in lappen tussen platen en bij de “gesloten” persen, in een geperforeerde en sterke kuip, die van binnen met filterdoek was bekleed.
Door aandraaien van een drukstuk in de pers werd het vet uit de vaste resten geperst waarna dit via een opvanggoot via een zeef in vaten werd gegoten. Wanneer er nat was gesmolten en er ook water niet alleen vet maar ook water werd uitgeperst vloeiden vet en water door de zeef eerst nog in een bak, waar het vet van het water kon worden afgeroomd.
In sommige gevallen, waarbij grotere hoeveelheden materiaal moesten worden uitgeperst werd ook wel een vertikale molensteen gebruikt, die in een cirkel-vormige trog draaide

De uitgeperste vaste massa werd meestal ergens op de vilderij in de open lucht gedumpt om daar te verrotten. Soms werd dit gemengd met kalk waarbij er na een jaar er een soort vettige grond ontstond. Dit werd dan onder een afdak gebracht, van tijd tot tijd omgezet en verder gemengd met aarde. Na 3 jaar is alles een droge nagenoeg reukloze kunstmest geworden, om als zodanig te worden verkocht.

Net als het droog smelten stonk ook dit nat smelten. Vooral wanneer het materiaal, dat werd verwerkt, niet meer zo “vers”was . Bij het droog smelten was dat de schroeilucht van het al in meer of mindere mate bedorven vlees en vet. Bij het nat smelten ontstond er – naast het vrijkomende vet – ook stinkende schuim. Aanvankelijk gooide men niet alleen dit schuim weg maar liet men ook het kookvocht zelf meestal weg lopen, dat dan ogenblikkelijk begon te rotten en vreselijk te stinken. Wanneer er weinig water beschikbaar was, kookte men de volgende lading gewoon weer in hetzelfde water. Maar hoe vaker dit gebeurde, hoe erger het ook het uitkoken ging stinken.  Tenslotte werd de stank nog verder verergerd door het gebruik van de botten en vette kanen als brandstof.
.


The start of rendering of fat from offal

All the while, when there were still no petroleum products, was fat expensive and it was worth getting the smallest bits of it out of animal carcasses. To do this, one cooked intestines, bones and all sorts of other carcass remains. When this happened "dry", so without adding water, everything often became too hot and not rarely the fat scorched. To avoid this one cooked the material in (salt) water: the so-called "wet melting". The rendered fats came float on the water, was skimmed off and done in barrels.
Far into the nineteenth century both the dry as the wet process happened  under the normal pressure of 1 atmosphere.

These two practices are the primitive forerunners of the today's modern “wet” respectively “dry (animal) rendering”  method.

Opposite the advantage of this wet melting that the fat were not scorcing  -this still simple -  method had the disadvantages that not all fatcells burst open and not all fat could be rendered.
In addition, the meat (parts) and bones had to to be still manually pressed under water again and again.    
To minimize the losses of fat the meat and bones were squeezed. The spoon and the skimmer were soon replaced by a press, which was to compare with those for wine or olives. At the "open" presses, the still hot boiled out remains were put in bags or in rags between plates and at the "closed" presses, in a perforated and strong cabin, which was lined with filter cloth inside.
By tightening a pressure piece in the press the fat pressed from the solid remains after which it flows through a collection drain and through a sieve in barrels. When was “wet”melted and there was squeezed out not only fat but also water , from the sieve fat and water came at first into a trough, where the fat can be skimmed of from the water.
In some cases, where larger amounts of material had to be squeezed also a vertical millstone was used, which turned in a circle-shaped trough
The squeezed solid mass was usually dumped in the open air somewhere on the knacker-yard for putrefy.
Sometimes this was mixed with lime so that after a year it was converted into a kind of fatty soil. This was then brought under a canopy, from time to time turned over, and further mixed with earth. After 3 years it has become a virtually odourless all dry fertilizer, in order to be sold as such.

Just as the dry melt the wet melt also stank. This was espessial the case when the material, which was processed, was started to putrefy. In dry melting it was the odor of the scorching of the more or less rotten meat and fat. When wet melted there was – in addition to the evolved fat – also an evil smelling foam.
Initially one threw not only this foam away but usually let flow away the cooking water itself, which then immediately starts to putrefy and stink terribly. When there is little water was available, one cooked the next load again in the same water. The more often this happened the worse this boiling stinks. Finally, the stench even further aggravated by the use of bones and fat greaves as fuel.



Oude handbediende vetpers

Old manual operated lard press

Picture  http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Moulin






zondag 10 augustus 2014

Niet meer vernietigen maar verwerken;

No longer “destroying” but “rendering”


(Animal Rendering - Destructie column part 10)
Please scroll down for the English version

In de loop der tijd ontdekte men dat meer en meer delen van een kadaver gebruikt konden worden. Dat begon datgene, dat meteen zonder al te veel bewerkingen gebruikt kon worden zoals haren, hoeven, horens en de grote botten en natuurlijk de huid. Dit werd gevolgd door de delen, die wel meer bewerkingen nodig hadden zoals het vetweefsel, de kleine botten en als hekkensluiter uiteindelijk ook het vlees. In plaats van kadavers of de resten ervan volledig te vernietigen werden ze steeds meer verwerkt tot onschadelijke, nuttige en bruikbare producten.  
Eén van de eerste, zo niet dè eerste “cradle-to-cradle” of “recycling” aktiviteit werd geboren nog ver voordat we überhaupt deze begrippen kenden.
Dit verwerken gebeurde aanvankelijk geheel handmatig op ambachtelijke wijze. Pas rond en vooral na de (Europese) Industriële Revolutie van halverwege de achttiende begin negentiende eeuw kwam de fabrieksmatige werkwijze hiervoor in opkomst. Dat betekende overigens niet, dat toen het ambachtelijk verwerken dan ook maar meteen verdween. Nog tot in de jaren vijftig en zestig hebben in delen van Europa de klassieke vilderijen en de moderne destructie-bedrijven naast elkaar bestaan.

Het nog eenvoudig winnen van het vet
Een belangrijk deel van een kadaver, dat pas door bewerking nuttig kon worden was het vetweefsel of “spek”, waaruit vet werd gewonnen. Vet gebruikte men onder andere voor bijvoorbeeld verlichting, karrensmeer, zeep en het soepel maken van leer. Pas in het midden van de afgelopen eeuw zou vet steeds meer door aardolieproducten worden verdrongen.

Vet zit in het dier samen met vocht opgeslagen in vetcellen met eiwitwanden en die met elkaar verbonden zijn tot het vetweefsel of “spek”.  Dit weefsel zit overal in het vlees verdeeld maar het meester zit direct onder de huid, om de buik, rond het hart, de nieren en bij de darmen. Tot ver in de Industriële Revolutie werden op de vilderijen ook de kleinste stukjes vetweefsel vaak door de vildersvrouwen helemaal handmatig overal uit het hele kadaver gehaald en uitgesmolten. Zo waren in de negentiende eeuw op de grote vilderij van Montfaucon bij Parijs twee vrouwen het gehele jaar door hier elke dag mee bezig.  
In de meest eenvoudige vorm werd het spek in kleine stukjes gesneden al roerende verhit in een eenvoudige ijzeren ketel of pan, die boven open vuur aan een driepoot hing of op een standaard stond. De celwanden barsten open, schrompelden als vaste “kanen” ineen, het vocht verdampte en vloeibaar vet kwam vrij.  Wanneer er geen vocht meer verdampte en de kanen harder werden stopte men met roeren en verwarmen en schepte met een soort schuimspaan de kanen uit de ketel. Met de bolle kant van een lepel werd uit deze kanen nog het aanhangende vet zoveel mogelijk uitgedrukt.  Het vet werd in vaten gedaan, koelde daarin af en was zo klaar voor de verkoop. 
Afgezien van het brandgevaar ging er bij het zo smelten van vet boven open vuur, erg veel
warmte verloren. Daarom legde men een deksel op de pan en schermde men alles met eenvoudige schermen zoveel mogelijk af. In de achttiende eeuw werd dit alles verbeterd door ketel en stookplaats samen als één geheel te ommuren. De schoorsteen hiervan was vaak niet hoger dan een halve meter.  Vuur en gassen gaven  hun warmte iets beter aan de ketel af en het brandgevaar werd zo enigszins beperkt omdat het vuur zich nu minder gemakkelijk kon verspreiden. Omdat de deksels niet goed sloten bleven het  zo geheten “open” ketels. 

No longer “destroying” but “rendering”

In the course of time it was discovered that more and more parts of a dead animal could be used. That began with that what could be used right away without too many operations such as hair, hooves, horns, the large bones and - of course - the skin. This was followed by the parts, which needed more operations such as adipose tissue, the small bones and if bringing up the rear in the long run also the meat. Instead of completely destroying carcasses or the remains of that they were more and more processed into harmless, useful and usable products.
One of the first, if not the first "cradle-to-cradle" or "recycling" activity was born  far before we even knew these concepts.
This process happened initially entirely manual with traditional methods. Just around and especially after the (European) industrial revolution of the mid-eighteenth early nineteenth century factory-made method arosed. That didn’t mean, that the craft process also  immediately disappeared. Still in the 1950s and 1960s in parts of Europe the classical  “knacker-yards” and the modern animal- rendering companies did coexist.

The in the beginning simple rendering of fats
An important part of a carcassr, which can be made usefull by processing is the adipose tissue, from which fat was rendered. Fat was among other things used for example for lighting, lubricating of carts, making soap and smoothening of leather. Only in the middle of the past century fat would more and more be displaced by petroleum products.
In the animal body fat is along with moisture stored in fat cells which have with protein walls and  which are connected to the adipose tissue.  This tissue is distributed throughout the meat but most of that is directly under the skin, to the abdomen, around the heart, the kidneys and the intestines. Far into the industrial revolution also the smallest pieces of this tissue was on the knacker-yards manually cutted out everywhere from the whole carcass and rendered by the women. So in the nineteenth century on the great knackeryard of Montfaucon in Paris two women were cutting and rendering fat every day throughout the year.
In the most simple form the adipose tissue was cut into small pieces and heated while stirring in a simple iron boiler or pan, which hung on a tripod or standing on a standard over open fire.  The cell walls burst open, schriveled into fixed greaves, the moisture evaporated and liquid fat came free. As soon as no more moisture evaporated and the greaves became harder one stopped with stirring and heating and with a kind of skimmer one scooped the greaves from the boiler. With the rounded side of a spoon the still adhering fat was squeezed out of the greaves as much as possible.  The fat was put in barrels, where it cooled off and was so ready for sale.  
Apart from the fire hazard the melting of fat over open fire caused very much lost of heat. Therefore a lid was put on the pan and everything was fenced as much as possible with simple screens. In the eighteenth century all this was improved by walling in boiler and fireplac together as a whole. The chimney of this was often not higher than half a meter. Fire and boiler gases gave their heat off slightly better to the boiler and the fire hazard was somewhat limited because the fire could spread less easily.  Because the lids does not good lock the boilers remained the so-called "open boilers” or “openkettles”. 



De vrouwen op de vilderijen sneden het vetweefsel uit de kadavers en smolten dit ook uit.
Deze vildersvrouw heeft in een ribbenkast als wieg haar baby bij zich.

At the knackeryard cutting out and rendering fat from carcasses was often women’s work 
This Skinners woman has in a rib cage as a cradle her baby with her. 

Picture:  Parent Duchatelet : « Les chantiers d'equarrissage de Paris »  1832

donderdag 10 juli 2014

Verbranden van kadavers in ovens; Incineration of animal carcasses (Animal Rendering - Destructie column part 9



Please scroll down for the English version

Het verbranden van kadavers op brandstapels en in kuilen was lang niet altijd even effectief. Niet zelden bleven de overgebleven resten pathogeen materiaal bevatten. Om wel een volledige verbranding te verkrijgen, ging men in de tweede helft van de negentiende eeuw experimenteren met het verbranden hiervan in ovens.
Het slachthuis van Gotha had een “kamer” met kleppen in het rookkanaal van de ketelvuren naar de schoorsteen. In deze kamer werden de afgekeurde vleesdelen gehangen. Door openen van de kleppen naar de kamer en het sluiten van de rechtsstreekse verbinding door het rookkanaal, moesten de rookgassen door deze kamer stromen. Door de hitte werden de hier hangende vleesdelen verast. Om de “kamer”weer leeg te halen en met nieuw vlees te beladen, de directe verbinding in het rookkanaal weer geopend en werden de kleppen naar de kamer gesloten.

Tijdens een uitbraak in 1880 van miltvuur rond Forbach verbrandde de veearts Feist de kadavers in een het trechtervormige deel van een omgebouwde cementoven, waarin de kadavers er in hun geheel zo in pasten.

In Engeland en Duitsland werden kadavers en afgekeurd vlees ook wel in de retorten van de gasfabriek of rechtsstreeks in ketelvuren verbrand. Deze twee methoden hadden grote nadelen: De retorten en de stookplaatsen vervuilden hierdoor sterk en werden tevens door het verbranden van kadavermateriaal aangetast. Bovendien moesten kadavers door de stokers hiervoor eerst in hompen worden verdeeld, hetgeen gemakkelijk tot infecties kon leiden. Regelmatig werd dit werk dan ook geweigerd. Tenslotte leverde dit vele stankklachten uit de omgeving. Daarnaast gebeurde het wel, dat zo half verbrandde delen door de schoorsteen naar buiten werden gesleurd en in de omgeving weer terecht kwamen……….

In Duitsland en Hongarije waren er ook mobiele ovens Zo’n oven was een smeedijzeren cilinder met daarop een scharnierende schoorsteen, aan de voorkant de stookplaats en aan de achterkant een hermetisch te sluiten deur voor het kadaver. Op een verrijdbare en scharnierende slede en rails werd het kadaver in de oven geschoven. Met ong 200 kg hout kon zo ter plaatse in 4 uur een (groot) kadaver geheel worden verbrand…

Het meest gebruikt – zijn de speciaal hiervoor ontworpen ovens, waarvan die van Kori het bekendst is. Deze “Tierleichenverbrennungsöfen” waren van steen met een vuurvaste binnenbemetseling. In de kleine ovens kon maar één groot kadaver of een klein aantal kleinere tegelijk verbrand worden. De grotere ovens waren in twee delen verdeeld. In het bovenste deel werd het “verse”materiaal zodanig voorverhit, dat het meeste water hieruit verdampte. Door het openen van een klep liet men de massa in de tweede (verbrandings) ruimte vallen, waarin de gedroogde massa vlam vatte en verbrandde. Ondertussen kon de bovenste ruimte opnieuw worden beladen. Tenslotte gleden de verbrandingsresten rechtstreeks in het kolenvuur, waar alles volledig werd verast.


Incineration of animal carcasses
The burning of animal carcasses on pyres or in pits took a long time and did not occur always effective. Not rarely the remnants still contained pathogenic agents. In order to obtain a complete combustion, in the second half of the nineteenth century experiments were done with burning meat and carcasses in ovens.
The slaughterhouse of Gotha had a "room" with valves in the flue from the boiler fire to
 the chimney. The rejected meat- and carcassparts were hung In this room. By opening the valves to the room and closing those the direct connection in the flue, the flue gases flows through this room. By the heat the in the room hanging meat parts were incinerated. In order to open the room, cleaning it out and charging it again with new meat, the direct connection in the flue had to be opened again and the valves to the room had to be closed.

During an outbreak of anthrax in 1880 around Forbach the vet Feist burned the bodies the funnel-shaped part of a converted cement oven, in which a complete cadaver as a whole fits in there. In England and Germany carcasses and rejected meat were also incinerated in the retorts of the gas plant or directly in boiler fires. These two methods had major disadvantages. The retorts and the fireplaces were not only contaminated due to the combustion products of the meat and  cadaver material but they also corroded. In addition, animal carcasses at first had to be divided in hunks by the stoker, which easily could lead to infections. This work was regularly refused. This resulted in many stench complaints from the environment. In addition to that it sometimes happened that half burned parts were dragged out through the chimney  and came around again..........

In Germany and Hungary there were also mobile furnaces. Such a furnace consists of iron  cylinder with hinged chimney, a fireplace at the front and at the back a door, wich could be closed hermetically for the animal carcass. On a mobile and hinged slide and rails the carcass was slid into the oven. With approx. 200 kg wood a (large) carcass could  be burned on site in approximately 4 hours .

The most commonly used – are the specially designed ovens, of which that of Kori is the most known. These "Tierleichenverbrennungsöfen" were build of stone with fire-brick inside. In the small ovens only one big carcass a couple of smaller ones could de burnt at the same time. The larger ovens were divided into two parts. In the upper part the "fresh" material was preheated in that way that most of the water from the material evaporated here. After that by opening a slide the dried mass fall into the second (combustion) space in which the dried mass  flame and burned. Meanwhile the top space could be loaded again. Finally the combustion residue slipped directly into the coal fire, where everything was completely incinerated.


In sommige landen werden kadavers en afgekeurd vlees verbrand in de retorten van de gasfabriek. -
In some countries animal 
carcasses and rejected meat were incinerated in the retorts of the gas plant

Picture: 
http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Fakenham

maandag 10 maart 2014

Animal Rendering - Destructie Column part 5

Licht en schoonheid uit ……………………….vet
Light and beauty from............................ grease

Please scroll down for the English version

Duizenden jaren voor Chr smolt men in een dierenblaas al vet uit stukken spek en botten door er steeds weer een hete steen in te doen. Het vet gebruikten ze om er bijvoorbeeld fakkels van te maken voor verlichting.

Ook zeep is al heel oud en het werd 3000 jaar voor Christus al gemaakt door de Sumeriers en de Mesopotamiers. Zij hadden namelijk ontdekt wol eerst gewassen moest worden met een mengsel van as in water voordat het kon worden geverfd. Met hetzelfde mengsel wasten de Sumerische priesters zich voor de tempelrites. De reinigende werking komt omdat de as met het vet in de wol of met het vet op de huid reageert, waarbij zeep ontstaat en het vuil oplost. De Sumeriers ontdekten verder dat de reinigende werking van het asmengsel kon worden versterkt door extra vet bij het mengsel te doen. Met dit idee begonnen ze zeep te maken door in een asoplossing vet en olie te koken. Bij opgravingen in Babylon zijn cilinders van klei van 2800 jaar voor Christus gevonden met daarin een zeepachtige substantie. Op de cilinders stond dat vet gekookt werd met as.

Rond 1500 v. Chr. hadden de oude Egyptenaren in hun de “Ebes Papyrus” een middeltje beschreven tegen huidaandoeningen. Dit middeltje werd verkregen door het koken van dierlijk en plantaardig vet met houtas.  

De Romeinse geleerde Plinius de Oudere geeft in het begin van de eerste eeuw in zijn “Naturalis Historica” ook al  een beschrijving en recepten voor zeep. Volgens hem is zeep een uitvinding van de Galliërs en de Germanen, die door de Romeinen is overgenomen. De Galliers en de Germanen gebruikten de zeep als een soort gel om hun haar rood te verven voor de strijd en noemden dit “seiffa”.  Een andere visie is dat de Romeinen het maken van zeep hebben overgenomen van de Bedouinen of de Kelten. Zeker is dat niet maar van beide volkeren is wel bekend, dat zij in die tijd al op deze manier zeep maakten.

De oude Grieken en Romeinen hadden over het ontstaan van zeep hun eigen legenden, welke sterk overeenkomen en over de reinigende werking van zeep gaan. Bij beide volkeren werden door de vrouwen vlakbij de offerplaats kleren gewassen. Wanneer er dan dieren werden verbrand als offer werden de kleren gemakkelijker schoon. De legenden zeggen, dat dit kwam doordat  het gesmolten vet van het offerdier samen met de as van het vuur in de rivier kwam. De goden gaven dan de reinigende werking. De Griekse legende komt van de dichteres Sapho. De Romeinse speelde zich af op de (niet bestaande) berg Sapo.
Zowel bij de Romeinse als bij het Griekse verhaal is het zeer onwaarschijnlijk dat onder aan de berg of in de rivier een reinigende werking merkbaar zou zijn geweest. Alleen al omdat de hoeveelheid (rivier)water in beide gevallen zo groot zou zijn geweest, dat alles veel te veel was verdund. Ons woord zeep kan afgeleid zijn van het Germaanse Seiffa, het Griekse Sapho of het Romeinse Sapo.


Light and beauty from............................ grease

One melted thousands of years before Christ in an animal bladder all fat from bacon pieces and from bones by putting a hot stone in the bladder. They used the fat for example for making flares for lighting.
Also soap is very old and it was 3000 years BC already made by the Sumerians and the Mesopotamians. They had discovered that wool had to be first washed with a mixture of ash in water before it could be painted. With the same mixture the Sumerian priests washed themselves before their temple rites.
The cleaning effect is because the reaction of the ash with the fat in the wool or with the fat on the skin, resulting in soap what dissolves the dirt. The Sumeriers discovered that the cleansing effect of the ashmixture could be strengthened by additional fat.
With this idea, they began to make soap by cooking a mixture of ash and fat in water. During excavations in Babylon clay cylinders of 2800 years before Christ are found containing a soap-like substance. On the cylinders was a recepe for soap by boiling fat with ash.

Around 1500 BC, the ancient Egyptians in their "Ebes Papyrus" described a remedy against skin disorders. This remedy was obtained by boiling animal or vegetable fat with wood ash.

The Roman scholar Pliny the Elderer indicates in the beginning of the first century in his "Naturalis Historica" even though a description and recipes for soap. According to him soap is  an invention of the Gauls and the Teutons, which is inherited by the Romans.
The Gauls and the Teutons used the soap as a type of gel to dye their hair red for the fight and called this gel "seiffa". Another view is that the Romans have taken over the making of soap from the Bedouins or the Celts. Tis is not sure but of both peoples is known, that at that time they were making all this way soap.

The ancient Greeks and Romans had their own legends about the origins of soap, which are very similar and about the cleansing effect of soap. At both peoples the women washed clothes near the place of sacrifice.
When the animals were burned as a sacrifice than washing were easier. The legends say, that this was because the melted fat of the sacrificial animals along with the ashes of the fire came together with the water of the river. The Gods gave than the cleansing effect.
The Greek legend comes from the poetess Sapho. The Roman legend took place on the (nonexistent) mountain of Sapo.

Both the Roman and at the Greek story is highly unlikely that at the bottom of the mountain or in the River would have been noticeable a cleansing effect. If only because the amount of  water in both cases would have been so great, that all was too much was diluted. Our word Soap could have been derived from the Germanic Seiffa, the Greek sapho or the Roman Sapo.


woensdag 11 december 2013

Dierlijk afvalverwerking in verschillende talen Animal rendering in different languages


Animal Rendering, Equarrissage, Tierkörperverwertung

 De vorige keer heb ik het in Nederland veel gebruikte begrip destructie in de betekenis van de dierlijk afvalverwerking en de bezwaren tegen dit woord behandeld. Bij het verwerken van dierlijk afval wordt dit materiaal immers niet vernietigd maar omgezet in vaste en vloeibare biobrandstof.

Hoe noemen ze dit in de landen rondom Nederland?

 Animal rendering
Internationaal wordt hiervoor vaak de Engelse term Animal Rendering gebruikt. Rendering werd in 1792 voor het eerst gebruikt voor het smelten van vet uit dierlijk materiaal.  Het woord is afgeleid van het Latijnse reddere of re-dare.  Re is her,  weer of terug en dare is geven Rendering betekent dus eigenlijk teruggeven. En dat is precies wat er in de animal rendering gebeurt. Het dierlijk afval geeft vet en eiwit terug.
Ook wordt in plaats van animal rendering ook wel de term inedible rendering gebezigd.

Overigens worden veel van de processen uit de animal rendering  niet alleen in de dierlijk afvalverwerking gebruikt. Ook de vleesindustrie past deze toe voor het uit goed vlees maken van voor de mens eetbare producten. In dat geval spreekt men van edible rendering of van meatprocessing


Frans: Equarrissage
Het Franse équarrir betekent oorspronkelijk het vierkant maken van een ruw blok hout of een brok steen. “equa” is “gelijk” .  Franse walvisvaarders noemden ook het in hompen hakken van walvisdelen équarrir. In 1878 werd het woord gebruikt voor het villen en in stukken delen van een dood paard .
Het Portugese esquadriar, het Spaanse escuadra en het Italiaanse squadrare zijn verwant aan het Franse équarrir.


Duits Tierkörperverwertung of Tierkörperverarbeitung
Naar mijn mening hebben de Duitsers met hun Tierkörperverwertung nog het beste woord voor de dierlijk afvalverwerking. Verwertung is het meerwaarde geven aan of nuttig maken van. Dus in hun woord geven de Duitsers meteen aan dat kadavers en dergelijke weer tot nuttige producten worden gemaakt .
Tierkörperverarbeitung betekent letterlijk het verwerken van kadavers

Tenslotte spreekt men in Duitsland ook wel van Tierkörperbeseitigung. Beseitigen betekent oorspronkelijk ter zijde leggen. Later werd dit ook verwijderen.

België: Vilbeluik.
In Belgie werd en wordt nog steeds wel het oud Vlaamse woord vilbeluik gebruikt.
Dit woord is een samenstelling van de woorden villen en beluik.
Beluik is afgeleid van het oud Vlaams - Nederlandse woord luiken of beluiken dat afsluiten betekent. In de negentiende eeuw werd het woord beluik gebruikt voor een doodlopend straatje met piepkleine arbeiderswoninkjes. Die straatjes werden toen door fabriekseigenaren beschikbaar gesteld en konden ’s nachts worden afgesloten.
Later kreeg het woord beluik alleen maar de betekenis van een afgesloten ruimte.
Vilbeluik is dus niets anders dan een oude aanduiding van de afgesloten ruimte voor de vilderij.

(Het voltooid deelwoord van beluiken is beloken. Dit komen we in Nederland en Belgie nog tegen in de kerkelijke term beloken Pasen. Beloken Pasen is de eerste zondag of octaafdag na Pasen. Op die dag wordt de Paasweek afgesloten.)


Uit mijn boek Categorie één: Dierlijk afvalverwerking door de eeuwen heen

Voor U allen Prettige Kerstdagen en een Gelukkig 2014 en tot volgend jaar maar weer!

 Animal Rendering, Equarrissage, Tierkörperverwertung (English version)

Last time I treated the - in the Netherlands mostly used – word destruction in the sense of animal rendering and the objections to this word. After all in animal rendering the material is not destroyed but it is converted into useful biofuels.

Which words do they use in the countries around Netherlands and where come these words come from?

Animal rendering
An international expression is the English term Animal rendering. Rendering was used for the first time in 1792 for the melting of fat from animal material. The word is derived from the Latin reddere or re-dare. Red is re, again or back and dare means give. Rendering means so basically giving back. And that is exactly what is happening in animal rendering. The offal gives (back) fat and proteins.
Also the term inedible rendering is used instead of animal rendering.

Furthermore, some of these processes are also used by the meat industry for making of good meat edible products for humans. In that case one speaks of edible rendering or more often of meatprocessing.


French: Équarrissage
the French équarrissage originally means the square making rough wood or stones. Equa means equal. French whalers called also it in hunks heels of whalecarcasses équarrir.
 In 1878 this word was also used for skinning and in pieces parts of a dead horse. The Portuguese esquadriar, the Spanish escuadra and the Italian squadrare are related to the French équarrir.


German: Tierkörperverwertung or Tierkörperverarbeitung
I think the Germans with their Tierkörperverwertung have still the best expression for animal rendering. Verwertung means give added value or make useful. So give the Germans immediately in their word that condemned carcasses and meat are made to useful products. Tierkörperverarbeitung literally means the processing of animal carcasses.

Finally in Germany they also use the expression Tierkörperbeseitigung. Beseitigen originally means discarding. Later this was also removing.


Belgium: Vilbeluik
In Belgium was and is still used the old Flemish word vilbeluik. This word is a compound of the words villen (that means skinning)  and beluiken (that means to enclose or to fence). In the nineteenth century, in Belgium the word beluik is used for a dead-end street with tiny little working-class houses. These streets could be closed at night. Later got the word just the sense of a small enclosed area.

Vilbeluik is nothing but a previous marking of the enclosed area for the skinning (and the further processing) of dead animals.

By the way:
The past principle of beluiken is beloken. We still find this in Netherlands and Belgium in the ecclesiastical term Beloken Pasen. Beloken Pasen or Octave of Easter is the first Sunday or octave day after Easter. On that day is Easter week is enclosed.)


From my book Categorie één: Dierlijk afvalverwerking door de eeuwen heen


Further: For you all Merry Christmas and my Best Wishes for 2014  and until next year!