Posts tonen met het label equarrissage. Alle posts tonen
Posts tonen met het label equarrissage. Alle posts tonen

woensdag 2 november 2016

Kadavervet: Goed tegen tbc,en goed voor soepele voetbalschoenen Carcass-fat Good against tuberculosis and goed for smooth footballshoes....

Animal rendering - Destructie Column part 31
Please scroll down for the English version

Kadavervet: Goed voor smeerseltjes tegen tuberculose en jicht, soepele voetbalschoenen en het onderhoud van cricket-bats.

Zo was hondenvet een zeer gevraagd “vilderij-product” en werd dit tot in de achttiende eeuw namelijk in vele streken gezien als een goed geneesmiddel tegen “longtering”of tuberculose. In Duitsland was in iedere streek een eigen “Schindersalbe” of Scharfrichtereipflaster”verkrijgbaar en dat gemaakt was op basis van hondenvet.. Het was alleen bij de vilderijen verkrijgbaar en elke vilder had hiervoor zo zijn eigen geheime recept, dat hij van zijn ouders erfde. De smeersels werden ook op de vilderijen gemaakt. Dat er op de meeste vildereijen het met de hygiene erbarmelijk was gesteld, deed er in die tijd niet toe. Men geloofde gewoon in de werking van het smeersel….
Soms ging het zo ver dat mensen zelfs hun eigen hond naar de vilder brachten voor het vet van het dier. De vilder maakte dan de hond af , onthuidde het kadaver, won het vet daaruit en leverde dit tegen bepaalde kosten - weer terug aan de eigenaar van de hond.
De verkoop van hondenvet was tot in de achttiende eeuw volledig legaal.. .

Niet alleen hondenvet werd in “medicijnen” verwerkt. In Engeland verwerkte een vilder nertsenolie in een smeerseltje, dat door de plaatselijke huisarts werd afgenomen. Hij gebruikte dat als middel tegen jicht en smeerde daarmee de gewrichten van zijn patienten in.

Ook sportverenigingen waren “klant” bij de vilder. Voetballers poetsten hun voetbalschoenen wel in met paardenolie om ze mooi soepel te krijgen en cricketers wreven hun bats in met paardenolie om zo het hout te “voeden” en te voorkomen dat de bats barsten of scheuren gingen vertonen.



Carcass-fat: good for ointments against tuberculosis and gout, smooth soccer shoes and maintenance of cricket-bats.

So dog-fat was a highly demanded "knackery product" and in fact this was until the 18th century in many areas seen as a good medicine against lung tuberculosis. In every region in Germany there was a private "Schindersalbe" or „Scharfrichtereipflaster " based on dog-fat. It was only available at the knackeries and each knackerman had its own secret recipe that he inherited from his parents.

The ointments were also made on the knackeries. The fact, that at most oft he knackeries the hygiene was lamentable, did not matter at that time did not matter. It was believed just in the working of the ointment ....
Sometimes it went so far that people even brought their own dog to the knacker for the fat of the animal. The knacker then killed the dog , flayed the body, rendered the fat therefrom and delivered this against certain cost-back to the owner of the dog.
Until the 18th century the sale of dog-fat was completely legal.. 

Not only dog-fat was processed in "medications". In England a knackerman processed mink oil in a ointment, that was taken by the local family doctor. He used that as a remedy against gout and rubbed this on the joints of his patients.

Also several sports clubs were "customer" at the knackery. Footballers polished their soccer shoes with horse-oil to make them smooth and cricketers rubbed their bats in with horse- oil avoid the bats burst or cracked.


Zowel voor middeltjes tegen tbc als voor schoenpoets voor de voetbalschoenen wist men de  vilderij te vinden
Both for remedies against  tuberculisis  as for shoepolish for football shoes people knew to find the knackery

woensdag 18 mei 2016

Dubbelwandige horizontale autoclaven met een persinrichting of met zeeftrommel Double wall horizontal autoclaves with a pressing device or with a sieve drum

Animal Rendering – Destructie Column part 29
Please scroll down for the english version


Dubbelwandige horizontale autoclaven met een persinrichting of met zeeftrommel

Na de eenvoudige en enkelvoudige horizontale autoclaven, zoals beschreven de blog van 9 sept
De autoclaaf van Stein uit 1872 had niet alleen een stoommantel maar er liepen voor een extra verwarming over de volle lengte van de autoclaaf drie stoomleidingen, die rechtstreeks waren verbonden met de stoommantel. Verder had de autoclaaf een geperforeerde persplaat, die geleid werd door de stoomleidingen en met een handwiel met spindel werd bediend.  Uiteraard had de autoclaaf de gebruikelijke uitrustingen zoals de mangaten voor vullen en lossen, stoomleidingen, aftapleiding voor vet, veiligheidsklep annex regelventiel etc.
De dubbele wand werd deels gevuld met water, dat werd omgezet in stoom en waarbij de  condens weer terug kwam in het onderste deel van de dubbele wand. Door de verdamping van het vocht uit het te verwerken materiaal of desnoods door toevoeging van extra stoom liep de druk in de autoclaaf op naar de ingestelde waarde op het regel-  annex veiligheidsventiel. Na aftappen van vet en water draaide men met het handwiel de persplaat steeds verder aan en werden zo alle vet en vocht uitgeperst, dat via de gaten in de persplaat naar het aftappunt vloeide. De overblijvende, bijna droge massa werd via het mangat onder aan de zijkant gelost. 

In dezelfde periode kwamen er - vergelijkbaar met de zeefmanden in de vertikale autoclaven -  in de horizontale destructieketels een om de lengteas draaibare zeeftrommel. Een dergelijke autoclaaf was die van Broadnax uit 1868, die bovendien door een extra zeefplaat in twee delen werd verdeeld.
Het bovenste deel bevatte  een met de hand !! bediende zeeftrommel met aan de binnenzijde daarvan rechtop staande tanden. Het vrijkomende vet en water vloeiden eerst uit de zeeftrommel vervolgens door de zeefplaat naar de bodem van de autoclaaf.
Voor een zo goed mogelijke gelijkmatige verwarming werd de zeeftrommel zo nu en dan met een slinger handmatig! gedraaid, waarbij de tanden in de trommel een extra verkleinende en dooreen mengende werking hadden. De ontstane gassen en dampen werden afgevoerd en in het ketelvuur verbrand. Aan het eind van het proces werd de zeeftrommel geopend en op de zeefplaat eronder geledigd. De resterende vaste stof en het vet werden onder in de autoclaaf net zo lang verhit totdat alle water hieruit was verdampt. Vervolgens werd het vet afgetapt om verder te worden gereinigd. 

Double wall horizontal autoclaves with a pressing device or with a sieve drum

After the single walled the horizontal autoclaves ( described in my blog of sept 9th 2015 ) were soon followed by the double hull designs, whose heating occurred with steam through the double wall.
The autoclave by Stein from 1872 had not only a steam jacket but for an extra heating there were over the full length of the autoclave three steam piplines, which were directly connected to the steam jacket. Furthermore, the autoclave had a perforated press plate, which was led by the steam lines and was served with a hand wheel with spindle.   Of course the autoclave had the usual equipments and appendages such as the manholes for filling and discharging, steam pipes, drain tube for fat, safety valve/control valve etc.

The double wall was partially filled with water, which was converted to steam and the condensation came back again in the lower part of the double wall. By the evaporation of the moisture from the material to be processed itself or - if necessary by adding extra steam  -  the pressure in the autoclave ran on to the set value on the control- annex safety valve.
After draining off the fat and water with the hand wheel the press plate was turned ever further onto and in that way all fat and moisture were squeezed out, and went through the holes in the press plate to the draining point. The remaining, almost dry mass was discharged  via the manhole at the bottom of the autoclave.


In the same period--similar to the strainer baskets in the vertical autoclaves - the  horizontal rendering boilers became at their longitudinal axis a rotating (horizontal) sieve drum.  Such autoclave was that of Broadnax from 1868, which was divided into two parts additional by an extra sieve plate.
The upper part contained a hand!! operated Sieve drum with on the inside upright rows of teeth. The fat and water first flowed out of the sieve drum then passed through the sieve plate to the bottom of the autoclave.  For the best possible uniform heating now and then the sieve drum  was manually! turned, the teeth in the drum gave an extra diminutive and mixing operation.
The resulting gases and vapours were burned in the boiler fire. At the end of the process the sieve drum was opened and emptied on the sieve plate below it. At the bottom of the autoclave the remaining solid and the fat were just as long heated until all the water evaporates. The fat was then tapped to be further cleaned and the solids removed.

De horizontale destructieketel van Stein met ingebouwde persinrichting
The horizontal rendering autoclave of Stein with hand operated pressing device.

Bron: US 124 983 uit 1872 van Stein IMPROVEMENT IN PROCESS AND APPARATUS FOR RENDERING FATS


Langsdoorsnede en dwarsdoorsnede van de destructieketel van Broadnax met de handbediende zeeftrommel met daaronder de opvangruimte voor de verwerkte vaste stof en daar weer onder die voor de vloeistoffen

Longitudinal section and cross section of the rendering cooker of Broadnax with the hand-operated screen drum with below it the reception room for the processed material and below that for the liquids
Bron: US 081 743 uit 1868 van A. Broadnax RENDERING APPARATUS


maandag 23 november 2015

Artikel in Haarslev Herald over deze blog Article in the Haarslev Herald about this blog

Onlangs heeft de Haarslev Herald dit interview met mij gepubliceerd over mijn blog over de geschiedenis van de destructie. De Haarslev Herald wordt verspreid onder het personeel en de stakeholders.
Ook nu ben ik hier erg blij mee en vind ik dit een grote eer.

A couple of weeks ago Haarslev Herald published an intgerview with me about my blof on the history of animal rendering. The Herald is distributed to the staff and stakeholders.
And again I am very glad with that and I think this is a great honnor


.http://historyofdestructieoranimalrendering.com/2015/11/23/artikel-in-haarslev-herald-over-deze-blog-article-in-the-haarslev-herald-about-this-blog/


maandag 9 november 2015

Verkleinen: Van de oude beenderenmolens naar de huidige “crushers” Reducing size From bonemills to todays crushers

Animal Rendering - Destructie Column part 24

Please scroll down for the English version

Van de oude beenderenmolens naar de huidige  “crushers” 

Rond 1850 werden in Amerika en in Engeland zowel rauwe als uitgekookte botten net als steenkool met twee tegen elkaar indraaiende walsen vermalen. Dergelijke tandwalsmolens of Yorkshire Bonemills waren wellicht de voorlopers van de hedendaagse in de destructie gebruikte “crushers”.

De walsen van deze beenderenmolens waren gelagerd in een stevige behuizing, waarin van boven af de botten werden toegevoerd nadat eerst alle ongerechtigheden zoals stukken ijzer waren verwijderd,. De walsen hadden om hun omtrek allemaal kransen van tanden, waarbij die van de ene wals precies tussen de kransen van de andere wals paste.  Door het tegen elkaar indraaien van de walsen werden de botten hiertussen gebroken, waarbij de grootte van de verkregen brokken bepaald wordt door de afmetingen van de tanden .

Gebeurde de aandrijving van deze molen op kleine vilderijen vaak nog handmatig, grotere bedrijven hadden hiervoor een mechanische aandrijving.
Om de botten heel fijn of zelfs geheel tot poeder te vermalen werd onder het eerste paar walsen een tweede en soms zelfs een derde stel walsen opgesteld. De lengteassen stonden hierbij dan haaks op de lengteassen van de walsen daarboven, waarbij de tanden van het onderste paar het fijnst waren. Aan de onderzijde wordt het vermalen materiaal afgevoerd.

Tegenwoordig moeten – voor de vereiste hittebehandeling niet alleen botten maar ook grote hompen en hele kadavers verkleind worden tot een brij-achtig mengsel van vloeistof en vaste delen, waarbij sinds begin jaren negentig volgens de wet de vaste stukjes in deze brij uiteindelijk niet groter mogen zijn dan 5 cm. Het verkleinen gebeurt in een breker of “crusher”, die enigszins is te vergelijken met de bovenstaande beenderenmolens. in een trechtervormige bunker liggen onderin evenwijdig naast elkaar twee assen, met daarop over hun gehele lengten haaks hierop (snij)nokken. Hierbij passen de nokken van de ene as steeds tussen die van de andere in. De assen draaien langzaam tegen elkaar in, waarbij de nokken dan telkens in het materiaal haken en - tegen elkaar in draaiend – niet alleen beenderen breken maar ook steeds stukken uit het materiaal snijden. De stukken en ook de vloeistoffen komen op de onderliggende transportband naar de verdere verwerking terecht. Om er voor te zorgen dat de vaste stukjes klein genoeg zijn, wordt de verkleining vaak in twee stappen gedaan. De tweede stap is hierbij dan vergelijkbaar met de eerste.
Tussen deze twee stappen in worden met magneten de ongewenste metalen voorwerpen eruit gehaald.


From the old bonemills to todays crushers

Around 1850  in America and in the UK both raw as boiled-out  bones were - just like coal  - grinded in between two against each other turning rollers.. Such Bonemills or Yorkshire mills were the forerunners of the contemporary in the rendering industry used "crushers".
The rollers are beared in a strong casing, in which from above the bones are loaded after first removing all iniquities as iron pieces. On their surroundings the rollers have whorls of teeth, of which the teeth of one roller goes right in between the teeths of the whorls of the other roller.
By the turn of the rollers against each other the bones are between the rollers broken, where the size of the obtained pieces is determined by the size of the teeth.
On the small knacker-yards the mill drive happened manually, still larger “companies” often  already had a mechanical drive.
To grind the bones to a very fine  powder there became among the first pair of rolls a second and sometimes even third set rollers. The length axles were then at right angles to the length of the rollers up there, of which the teeth of the lower rollers were the finest. At the bottom is the shredded material discharged

Nowadays – for the required heat treatment not only bones but also large hunks and entire carcasses have to be reduced to a slurry of liquid and solids, in which - since the early 1990s - according to the law the solid pieces have to be smaller than 5 cm. The reduction occurs in a crusher, which is somewhat similar to the  above described bones mills.
On the bottom of a funnel-shaped bunker are - parallel next to each other - two axles, with over their entire lengths in a right angle  (cutting) cams. It always fit the cams of the one between those of the other. The axes turning slowly against each other, where each time the cam in the equipment hooks and-against each other in turning – not only break bones but also cutting pieces from the material to be crushed. The pieces and also the fluids come on the underlying conveyor to the further processing. To ensure that the solid pieces s became mall enough, the reduction is often done in two steps. The second step is then similar to the first.
Between these two steps in with magnets the unwanted metal objects taken out.


Boven- en zij aanzicht breker met de twee tegen elkaar indraaiende getande rollen, zoals in Amerika werd gebruikt. Op de afbeelding helemaal rechts zien we het wiel voor de handmatige! aandrijving 

Top and side view with the two against each other turning toothed roles, such as in America was used. On the image at the far right, we see the wheel for the manual! drive …
 (Bron: Dawidowski and Brannt "Glue gelatine animal charcoal,phosphoros, cements pastes and mucilages " 1905 p. 35)


hedendaagse crusher
Bron: Eigen foto

donderdag 3 september 2015

De eerste destructieketels in de vorm van horizontale autoclaven The first rendering cookers in the form of horizontal autoclaves

Animal Rendering - Destructie Column part 22

Please scroll down for the English version

De eerste destructieketels in de vorm van horizontale autoclaven
Naast de rechtop staande autoclaven kwamen er in de negentiende eeuw ook liggende destructie-autoclaven, waarvan het apparaat van Blackhall-Slight in Edinburgh uit 1850 één van de eerste was.
Blackhall-Slights’ autoclaaf was enkelwandig, had een ovale dwarsdoorsnede en was op de voor- en bovenkant na samen met een vuurhaard geheel ommuurd. De bovenkant had een veiligheidsklep annex drukregelaar en een afsluiter voor het ontluchten en voor het toevoeren van water. De voorkant had helemaal onderaan een aftapkraan voor vet en water en het  mangat voor het vullen en het lossen van de verkookte massa. De afdichting van het mangatdeksel gebeurde met een klem, waarbij henneptouw en havermeel als “afdichtingspakking” werd gebruikt.
Vlak boven de aftapkraan had de autoclaaf over de volle lengte een zeefbodem, waarop de te verwerken botten etc kwamen te liggen. Na toevoegen van een hoeveelheid water werd het geheel opgewarmd. Zodra er uit de ontluchtingskraan op de autoclaaf alleen nog stoom kwam werd deze afgesloten en de autoclaaf op een druk van 2 bar gebracht. Na een vol etmaal onder een druk van 2 bar stomen waren de botten, afgekeurd vlees en kleine kadavers uiteengevallen en kon de druk uit de autoclaaf worden afgelaten. Vervolgens werd onder aan de autoclaaf eerst het lijmwater afgetapt en daarna het vet.
 
Voor een gelijkmatiger drukbelasting waren de latere destructieautocklaven niet meer ovaal maar hadden zij een ronde dwarsdoorsnede. Bovendien kwamen er tussen de voor en achterkant over de volle lengte horizontale trekstangen of hoekijzers voor versteviging van het geheel.


In addition to the upright standing autoclaves, nineteenth century there came also horizontal rendering cookers, of which the device of Black hall-Slight in Edinburgh from 1850 one of the first was.
Black hall-Slights ' autoclave was single hulled, had an oval cross section and was except the front and top fully together with the firebox walled. On top of the autoclave there was a safety valve/pressure regulator and a valve for venting the air, for feeding water and bleeding of pressure. The front had a draining valve for fat and gluewater and a manhole for filling and discharging the boiled mass. The sealing of the manhole cover was done with a clamp, with hemp twine and oatmeal was used as "sealing stuffing".
Right above the drain valve at its full length the autoclave had a sieve bottom, on which the raw bones etc were put. After adding a quantity of water the whole was warmed up. As soon there came only steam from the vent valve on the autoclave the valve was closed and the autoclave brought on a pressure of 2 bar.
After 24 hours steaming and boiling at a pressure of 2 bar the bones, meat and small carcasses were disintegrated and could be bleeding off the autoclave pressure. After that at the bottom of the autoclave first the glue water was drained followed by the fat.


For a more equal pressure loads the cross section of the later rendering autoclaves was no longer oval but round. In addition to that, there were between the front and back along the full length horizontal tie rods or angle irons for reinforcement of the autoclave.


Het apparaat van Blackhall-Slight met dwars- en overlangse doorsnede. Op de doorsneden is de geperforeerde boden, waar de botten op liggen aangegeven met m-m
Goed is te zien dat het wel een veiligheidsklep maar geen manometer en ook geen peilglas had. Het apparaat was 2 m lang en had 90 cm breed.
The device of Black hall-Slight with transverse and longitudinal cross-section. On the cross sections is the perforated bottom, where the bones are put on is indicated by m-m . Good to see is that the autoclave does have a safety valve but no pressure gauge and also no sight glass. The device was 2 m long and had 90 cm wide.

 Bron: Rühlmann Über Blackhall’s Apparat zum Dampfen der Knochen als Düngermittel


dinsdag 11 augustus 2015

Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal The unloading of the rendering autoclave from the cooked animal carcasses


Animal Rendering - Destructie Column part 21

Please scroll down for the English version 

Het uit de destructieautoclaaf lossen van het verkookte kadavermateriaal rond 1880

Het verkookte kadavermateriaal moest handmatig weer uit de destructieautoclaaf gespit worden, waarvoor meestal iemand de autoclaaf in moest. We kunnen ons voorstellen, dat dit een zwaar en uiterst onaangenaam werk was. Bovendien koste dit veel tijd, omdat de autoclaaf eerst moest afkoelen.

Hieronder staan een paar van de methoden, die bedacht zijn om dit werk niet alleen enigszins te verlichten maar ook om dit in een veel kortere tijd te kunnen doen.

Rond 1844 deed, Ebenezer Wilson in Cincinnatti, dit via een klep in zowel de bodem van de autoclaaf als in de zeefplaat . Beide kleppen werden gelijktijdig met een ketting of een spindel via het deksel van de autoclaaf geopend, waarbij het vaste materiaal dan in één keer vanaf de zeefplaat in een opvangbak onder de autoclaaf viel. In 1874 had Wilson vier van deze autoclaven in werking, elk met een inhoud van 5,5-7 m3.

De New Yorker Husband deed dit rond 1879 door de zeefplaat voor het kadavermateriaal in de autoclaaf schuin naar het mangat toe te leggen.

De autoclaaf uit 1867 van William Perry uit Massachusetts kon in het midden met een ketting om zijn dwars as gedraaid worden. Aan het ene uiteinde van de autoclaaf was de opening voor het vullen en het ledigen. De andere kant had een zeef met daaronder een aftapkraan.
De stoom werd via een leiding door het lager van de dwarsas in de autoclaaf geleid. De autoclaaf werd rechtop gezet en via de aftapkraan aan de onderkant werd continu het ontstane vet en lijmwater naar een ander vat afgetapt. De vaste materiaal op de zeef bleef zo “droog” en constant volledig aan de werking van de stoom blootgesteld.  Na afloop van het proces werd de druk afgelaten, de aftapkraan losgekoppeld en de vulopening geopend. Het geheel werd met de ketting een halve slag gedraaid waarna de vaste resten uit de autoclaaf uit vielen om elders tot meststof te worden vermalen.

The unloading of the rendering autoclave from the cooked animal carcasses aroud 1880

The cooked material had to removed from the rendering autoclave or “digester” by carving out manually, for which usually someone had to go into the digester. We can imagine, that this is a heavy and extremely unpleasant work. In addition to that, this costs much time because of the fact that the autoclave first had to cool down.

Below a few of the methods are descripted, not only designed to relieve this work a little bit  but also to be able to do this in a much shorter time.

Around 1844, Ebenezer Wilson in Cincinnatti, did this by means of a valve in both the bottom of the digester as in the false seave bottom. Both valves were simultaneously opened with a chain or a spindle through the lid of the digester, after which at one time the solid material fell directly from the sieve plate into a container under the digester. In 1874 Wilson had four of these autoclaves working, each with a capacity of 5.5-7 m3.
The New Yorker Husband did this around 1879 by putting in the digester the sieve plate for the cadaver material diagonally towards the manhole.

In 1867 William Perry’s digester from Massachusetts could be rotated with the aid of a chain around its cross axis in the middle. At one end of the digester was the opening for filling and emptying. The other side had a screen with a drain valve.

The steam was led into the digester through a conduct-pipe through the bearing of  the transverse axis. The digester was put upright and via the drain valve at the bottom the resulting grease and glue water were continuously drained to another barrel. In that way the solid material on the screen remained "dry" and also constantly exposed to the full influence  of the steam.  At the end of the process, the pressure was released, the drain valve disconnected and the filling opening opened. With the chain the whole thing was turned a half turn after which the remains fell from the autoclave for being ground elsewhere to fertilizer. 


De van buiten af bedienbare los opening aan de onderkant van de autoclaaf uit 1844 van Wilson.

From the outside controlled unloading valves in seave and bottom of the autoclave from 1844 by Wilson 

Bron: L.A. Andès: Animal Fats and Oils  1898  p. 33

woensdag 10 juni 2015

Maden: Krachtvoer voor de negentiende eeuwse “plofkippen” Maggots: Power fodder for the bloated broilers of the nineteenth century

Animal Rendering - Destructie Column part 19

Please scroll down for the English version

Maden: Krachtvoer voor de negentiende eeuwse “plofkippen”

Na de vinding van Appert in 1823 zouden gedurende geruime tijd autoclaven voor de meeste kleinere vilderijen nog onbetaalbare dingen blijven en zullen de vilders voorlopig in “gewone potten en ketels” kadavers, botten en ander vleesafval om hun vet uitkoken. Naast dit werk en het onthuiden hadden zij in de negentiende eeuw nog enkele “nevenactiviteiten”. 

Eén daarvan was het kweken van maden, die voor de vissers en de kippenboeren erg gewild waren als visvoer respectievelijk krachtvoer. Zo was er in Frankrijk een kippenboer, die in de wijde omgeving de magerste scharminkels voor een appel en een ei opkocht en ze met maden voerde. Wat hem met ander kippenvoer, zoals graan niet lukte, lukte dat wel met een dieet van maden. In twee weken waren deze kippen drie maal zo zwaar geworden en konden even later als het exquise “Poulardes du Mans” aan de man worden gebracht……. .

In het begin werden plukten de vilderskinderen hiervoor de maden gewoon van de her en der op de vilderijen verspreide stinkende afvalhopen. Later werd hiervoor een veel effectievere ‘productiemethode” gevolgd.
Op een verloren stuk grond van de vilderij werden de ingewanden en overig rottend vlees uitgespreid tot een laag van ca 15 cm dik. Om uitdroging door direct zonlicht te voorkomen, strooide de vilder er een laag stro overheen. Vanwege de sterke rottingsgeur kwamen de vliegen er onmiddellijk op af om er hun eitjes te leggen. Door de gehele laag konden de maden zich massa goed ontwikkelen. Was de laag dikker, dan zou de temperatuur in die laag te hoog oplopen, de concentratie aan rottingsgassen te hoog worden en de maden daardoor dood gaan. Na een paar dagen tot een week was de laag één bewegende wriemelende en krioelende massa maden geworden. De vilderskinderen zochten dan handmatig de zwarte humusdeeltjes hieruit, waarna de maden werden opgeschept en per kilo als geheel schoon kippen- en vissenvoer werden verkocht.
In de tweede helft van de negentiende eeuw was er bij Parijs één vilder, die zo in het visseizoen per week bijna 2 kubieke meter!  maden produceerde en aan de man bracht……



Maggots: Power fodder for the bloated broilers of the nineteenth century

After the invention of Appert in 1823 still for quite a long time autoclaves will be too expensive for most smaller knackeries and for the time being, the skinners will still use "ordinary pots and kettles" for boiling down animal carcasses, bones and other meat waste for producing the fat. In the nineteenth century the skinners or knackermen had - in addition to this work and skinning - had some “side-activities”. 

One of these side-activities was growing maggots, which were for the fishermen and the chicken farmers much sought after as fish feed respectively feed concentrates or “power fodder”. In France there was a chicken farmer, who in the wide surroundings bought up at a very low price the leanest scraggy chickens and feed them for a couple of weeks with maggots. When other chicken feed, such as corn did not succeed, with a diet of maggots it succeeded well. Within two weeks the weights of the chickens were three times the original weight and the chicken farmer sold  them as the exquisite "Poulardes du Mans" ........
In the beginning the children of the skinners picked the maggots from the foul-smelling waste heaps which were scattered all over the knackeries. Later on a much more effective  “production method " was followed.
On a lost part on the knackery intestines and other rotting meat was spread to a layer with a thickness of about 15 cm.  To prevent dehydration by direct sunlight, the skinner interspersed  a layer of straw over it. Because of the strong rotting smell the fly’s came off immediately to lay their eggs. All trough the whole layer the maggots could grow very well. When the layer was thicker, than would the temperature on within the layer too high, the concentration of rotting gases become too high and the maggots thereby died. After a few days to a week the layer was one moving squirming and wriggling mass of maggots. The skinners children manually sorted out the tiny black humus particles, after which the maggots were scooped up and were sold per kilo as clean chicken and fish feed.
In the second half of the nineteenth century at Paris there was one skinner, who - during the fishing season - produced and sold per week almost 2 cubic meters! of maggots ……..


Bron: Eigen foto



zaterdag 9 mei 2015

Van try-pots en traan, Animal rendering in whaling

Animal rendering - destructie  Column part 19

Please scroll down for the english version

Van "try-pots" en traan,

In mijn ontdekkingsreis in de geschiedenis van de destructie zie ik niet alleen oude processen en installaties maar kom ik regelmatig allerlei opmerkelijke zaken tegen. Vandaag wil ik over deze uit Australie en Nieuw Zeeland iets vertellen.

Naast het verwerken van de gebruikelijke dierlijke bijproducten van vee, was daar medio negentiende eeuw ook het - in dit kader - veel minder bekende verwerken van walvissen. Walvisolie of “traan” werd niet alleen gebruikt in margarine maar was onder andere ook zeer geliefd als lampolie en smeerolie.

In bepaalde jaargetijden kwamen aan de zuidkust van Australie en van Nieuw Zeeland de walvissen heel dicht bij de kust. Zo dichtbij, dat de jagers er met roeibootjes naar toe konden varen en de dieren konden doden. Met diezelfde roeibootjes sleepten de jagers ze vervolgens naar de “try-works” aan de kust om ze te verwerken. In het kort ging dat als volgt:

Op een hoog gelegen punt aan de kust stond een wachter, die wanneer hij een walvis in het vizier kreeg, de jagers waarschuwde om er met hun bootjes op af te gaan. Met harpoenen en speren werd de walvis aangevallen, afgemat en uiteindelijk gedood, waarna het kadaver  naar de kust werd gesleept en zo ver mogelijk op het land werd getrokken. De dikke laag spek werd in lange stroken van het kadaver afgesneden waar ze hoger op de kust in handzamere stukken werden gesneden of gehakt. In grote kookpotten, de zogeheten “try-pots” op open vuur werd dan het vet eruit gesmolten. Zo’n try-pot had aan één kant een overloopgoot, waardoor het gesmolten vet naar een tweede pot vloeide. In deze tweede pot bleef het vet net zo lang totdat de verontreinigingen en eventueel meegekomen water naar de bodem waren uit gezakt. Het vet werd uit deze pot in de opslagtanks  geschept, waarin het verder afkoelde om daarna in vaten te worden gedaan.
Zo werd er vanaf ca 1828 tot 1930 aan de zuidelijke kusten van Australie en Nieuw Zeeland walvisolie geproduceerd..

Overigens waren er al in het midden van de achttiende eeuw al een vorm van “fabrieksschepen”, waarop de walvissen op zee al konden worden verwerkt. Voor het speksnijden werd het dier langszij getrokken en vastgebonden. Deels op het dier zelf, deels vanaf een soort bordes werd al balancerend het spek van het dier gesneden en aan dek gebracht. Pas later kwam de mogelijkheid om het beest aan boord te hijsen en hem daar te “flenzen”.

Op het breedste deel van het schip, tussen de beide masten, stond in een zeer solide bemetseling met daarin de vuurhaarden en twee of soms drie try-pots. Om ruimte te besparen hadden de try-pots aan aan weerszijde een platte kant, waarmee ze tegen elkaar aan stonden. Om verbranden van de olie te voorkomen, werden de try-pots in de bemetseling niet direct verhit maar waren zij omgeven door een waterbad. De vuurhaarden, die werden gestookt met walvisbotten en -kanen hadden geen schoorsteen. De rookgassen ontweken door gaten pal naast de try-pots om over zee weg te waaien. ………….

Begin van de negentiende eeuw kwamen de modernere industrieschepen, waarover ik in een van mijn latere blogs meer zal vertellen.


Animal rendering in whaling 
In my journey in the discovery of the history of animal rendering I not only see old processes and plants but regularly I also come across all kinds of outstanding cases. Today I want to tell something about this one from Australia and New Zealand.

In addition to the usual processing of animal by-products from cattle, in the mid-nineteenth century there was at that place also a - within the framework of animal rendering - much less well-known processing of whales. As in Europe, whale oil or "train-oil" was not only used in margarine but it was also very popular among other things such as lamp oil and lubricating oil.

In certain seasons whales came very close to the South coasts of Australia and New Zealand. So close, that the hunters there with their rowing boats could go boating to the animals and killing them. With that same rowing boats the hunters dragged them to the "try-works" on the shore to process them.

In short that went as follows:
Located on a high point on the coast stood a guard, who as soon as he saw a whale, he warned the hunters to go off with their boats. With harpoons and spears the whale was attacked, exhausted ultimately killed, after which the carcass was dragged to the coast and pulled at the try-works on the shore as far as possible. After the thick layer of blubber in long strips was cut off from the carcass it were brought to the try-work and cut or chopped in more practical pieces. In large cooking pots, the so-called "try-pots" on open fire the fat or train-oil was rendered. On one side such a try-pot had an overflow gutter, throug which the rendered fat flows to a second pot for separating the train-oil from impurities. The fat from this pot was ladled out into the storage tanks, in which it further cooled and been done into wooden barrels.
From about 1828 to 1930 on the southern coasts of Australia and New Zealand whale oil was produced..

Moreover, already in the middle of the eighteenth century there were a form of "factory ships", on which the whales could be processed at sea .  To be “flensed” the carcass was pulled alongside and tied up. Partly on the carcass itself, partly from a kind of platforms the “flensers” were balancing to cut of the blubber from the carcass and bringing it on deck. Later on there came the ability hoisting the carcass  on board for flensing.

Amidship, at the widest part, between the two masts, a very solid masonry contained the fires  and two or sometimes three try-pots. To save space the try-pots had a flat side on either side, with which they were put against each other. Preventing scorcing of the train-oil the try-pots were not heated by direct fire  but the were surrounded by a water bath. As fuel they use the whale bones and –greaves and there was no chimney at all. The flue gases escaped through holes right next to the try-pots and where the wind blew them away over the sea. ………….
Beginning of the 19th century more modern industry ships came in, about which I will tell more later in one of my blogs.



Smeltpotten of "try-pots" voor walvisspek op land Links de opslagtanks voor de "traan" en rechts een lepel voor het afromen.
Try-pots for train-oil on shore. At the left the storage tanks and at the right a "ladle"
Bron: 
http://travelling-australia.info/InfsheetsW/whale3.html



"Try-pots" aan boord van een achttiende eeuws fabrieksschip in de walvisvaart
Try-pots on a whalingship in the 18th century
Bron: div. site oa 
https://sites.google.com/site/caitlinfalk/distinguishingfeatures









vrijdag 10 april 2015

De eerste eenvoudige autoclaven voor de kadaververwerking nog bijna zonder hulpmiddelen. The first simple autoclaves for processing offal or fallen livestock almost without tools.

Animal Rendering - Destructie Column part 18

Please scroll down for the English version

De eerste eenvoudige autoclaven voor de kadaververwerking nog bijna zonder hulpmiddelen.
Deel I:  In Europa

Anderhalve eeuw na de uitvinding van de Papiniaanse Pot verkreeg de Fransman Appert in april 1823 in Frankrijk voor vijf jaar het patent op het smelten van vet in een autoclaaf. Zijn autoclaaf had maar één opening bovenop met deksel voor zowel het vullen als het ledigen en werd als een zakketel met een ring in een ommuurd vuur gehangen.
Hij hield drie delen “vlees” en/of botten op één deel water gedurende ongeveer een uur op een temperatuur van 115-130 °C .  Na afkoelen en druk aflaten werd (handmatig!) eerst het vet uit de autoclaaf geschept en daarna met een soort zeefschep de natte en nog vette vaste stof. De vaste stof werd op rekken gedroogd en, al dan niet met andere stoffen zoals gips en klei, tot meststof verwerkt.
Tenslotte werd het lijmwater er uit gelepeld. Vanwege het snelle bederf was lijmwater alleen maar bruikbaar als het snel verder kon worden verwerkt, bijvoorbeeld wanneer het in de onmiddellijke nabijheid als meststof over de landerijen kon worden uitgesproeid. Als er een lijmfabriek in de buurt was, kon het in vaten daarheen worden gebracht. Meestal echter werd het lijmwater geloosd. Afgezien van het feit dat dit erg ging stinken gingen hiermee veel waardevol gelatine, stikstof en kalium, verloren.
Naast een snellere verwerking claimde Appert in zijn patent verder, dat zijn proces niet stonk. Echter met name het weer leeghalen van de autoclaaf stonk weldegelijk en bleef bovendien nog steeds een vies en zwaar karwei.

Later kwamen er autoclaven, waarin men in plaats van water, direct extra stoom kon invoeren. Ook kwamen er onder aan de autoclaaf een aftapkraan voor vet en water en een extra mangat voor het weer lossen van de uitgekookte vaste stof.
De autoclaaf werd dan zo’n 2-4 uur op een druk van 2 ½ - 3 bar gehouden, waarna via de aftap onder aan de autoclaaf eerst het lijmwater en daarna het vet werd afgetapt.
Het zo verkregen vet was echter verontreinigd met voornamelijk eiwitmateriaal uit het vlees, waardoor het snel bedierf. Om deze reden werd het vet met water goed uitgekookt om zo te worden gezuiverd. Pas daarna kwam het in vaten om aan bijvoorbeeld zeepfabrikanten te worden verkocht.

In 1846 kookte men op een grote Franse vilderij in Aubervilliers bij Parijs in autoclaven botten, ingewanden, vleesdelen en allerlei ander kadavermateriaal 12-24 uur onder een druk van 1 ½ atm en een temperatuur van ong. 110 °C . Het verkregen vet werd als machinesmeer verkocht. De hoeveelheden waren op deze vilderij zo groot, dat men de overgebleven vaste stof niet meer op rekken maar in een aparte ketel uitgedroogde. Daarna werd het tot mestpoeder vermalen. Ook hier werd het geleiachtige lijmwater eerst nog geloosd en ging dat pas later naar een lijmfabriek


The first simple autoclaves for processing offal or fallen livestock almost without tools.
Part I: Situation in Europe

A century and a half after the invention of the digester by Papin the Frenchman Appert obtained in april 1823 in France for five years the patent on the melting of fat in an autoclave.
His autoclave only had one opening on top of it with a lid for both filling and emptying and was hanging with a ring halfway around the autoclave over a ridge in walled fire.
He kept three parts "meat" and/or bones on one part water for about one hour at a temperature of 115-130 ° C.  After cooling and bleeding off first the fat was (manual!) used one’s spoon out of the autoclave and after that with a kind of skimmer the fatty wet solids were shoveled out. The solids were dried on racks and, with or without other substances such as plaster and clay, processed to fertilizer.
Finally, the glue water there from used one’s spoon. Because of the quick decay the glue water was only useful when it could be processed rapidly, e.g. when it could be sprayed out as a fertilizer over the country in the immediate vicinity. If there was a glue factory nearby, it could be put in barrels and brougt to the glu factory. Usually, though, the glue water was discharged. Apart from the fact that with this very much valuable gelatin, nitrogen and potassium was lost went it stinking.
In addition to a faster processing, in his patent claimed Appert that his process was odorless…… In particular, however, emptying of the autoclave is stinking certainly and also it was still a dirty and a heavy job.

Later - instead of water - live steam could be entered directly into the autoclaves. There came also at the bottom of the autoclave a drain valve for fat and water and an extra manhole for unloading the boiled out solids.
After holding the digester about 2-4 hours at a pressure of 2 ½-3 bar, at first the glue water was drained of via the drain valve and after that the fat was drained.
The resulting fat, however, was contaminated with proteinaceous material mainly from the flesh, making the fat fast spoiled . For this reason the fat was well boiled out with water to be purified. Only than it came in barrels, for being sold to – for example, soap manufacturers.

In 1846 on a large French knackery in Aubervilliers near Paris they cooked in autoclaves bones, intestines, meat parts and all kinds of other cadaver material 12-24 hours under a pressure of 1 ½ atm and a temperature of approx. 110 ° C.  The obtained fat was sold as a machine lubricant.  At this knackery the quantities became so big, that one the remaining solids matter no longer dehydrated on shelves but in a separate dryer. Afterwards it became grinded to manure powder. Also here the gelatinous glue water went first discharged and only later sold to a glue factory



Twee van de eenvoudige autoclaven
Two of the first simple autoclaves
Bron: Dammer: Handbuch der Chemischen Technik 1896

woensdag 11 februari 2015

Het ontstaan van het “hart” van de destructie . The birth of the center of animal rendering

Animal Rendering - Destructie Column part 16
Please scroll down for the English version

Het ontstaan van het  “hart” van de destructie   
In de zeventiende en achttiende eeuw deden Papin en Pasteur vindingen, die een definitieve doorbraak zouden vormen voor nieuwe verwerkingsmethoden voor kadavers en dergelijke. Zij werden voortaan niet alleen meer onschadelijk gemaakt maar konden meteen ook worden omgezet in nuttige producten.

Met de vindingen van Papin en Pasteur is de destructieautoclaaf of “rendering cooker” geboren: het met verzadigde stoom onder druk onschadelijk maken en doen uiteenvallen van kadavers en ander dierlijk afval.

Hoe zat dat?

Rond 1850 ontdekte Louis Pasteur dat rotting, bederf en diverse ziekten werden veroorzaakt door bacteriën en dat koken in water niet alleen rot en bederf stopt maar ook de ziektekiemen doodde. Het proces van kortstondige verhitting van een product waarbij de schadelijke bacterien worden vernietigd, zonder het product zelf te beschadigen is met de naam “pasteuriseren” dan ook naar hem vernoemd.
Dankzij het werk van Pasteur en doordat kadavers en dergelijke zelf al voor 75% uit water bestaan, ontdekte men dat zij alleen al door een hittebehandeling onschadelijk werden gemaakt. Het was dus niet persé nodig ze te verbranden.

Denis Papin ontdekte niet alleen dat bij een hogere druk water bij een hogere temperatuur kookt. Rond 1679 ontdekte hij ook dat groenten, vlees en zelfs botten bij hogere druk veel sneller en gemakkelijker “gaar” werden.  Hij deed zijn ontdekkingen met een ijzeren ketel, waarop het deksel volledig afsluitbaar kan worden vastgeklemd: de Papiniaanse Pot. Om exploderen te voorkomen ontwikkelde hij ook de eerste veiligheidsklep.

In 1681 maakte hij in zijn uitvinding een krachtige en voedzame bouillon door botten door vlees in drie uur bij een druk van 2-3 atm. en een temperatuur van 121-135 °C  te verkoken. Deze druk verkreeg hij mede door het tot stoom verdampende water. Deze bouillon deelde hij dan uit aan de armen.
Papin zag het sneller gaar worden van vlees en botten als een soort “verteren” en noemde zijn apparaat een daarom een “digesteur”.
Onder meer vanwege het explosiegevaar zou het nog een eeuw duren voordat Napoleon de Papiniaanse Pot in zijn legerkeukens zou gaan gebruiken en in de tweede helft van de negentiende eeuw begon hij de opmars als “autoclaaf”. Uiteindelijk veroverde de Pot in 1915 als “snelkookpan” ook de huishoudingen in de wereld.

Vanaf ongeveer de tweede helft van de negentiende eeuw tot vandaag de dag is, dankzij de vindingen van Papin en Pasteur de destructieautoclaaf of “rendering cooker” nog steeds het hart van de destructie.

The birth of the center of animal rendering
In the seventeenth and eighteenth centuries  Papin and Pasteur did inventions, which would constitute a final breakthrough for new processing methods for animal carcasses and so on. They were now not only more destroyed but they were made inoffensive and could also be converted into useful products.
With the inventions of Papin and Pasteur the rendering cooker was born: With saturated steam under pressure making inoffensive and disintegrate the animal waste.

How was that?

Louis Pasteur discovered around 1850 that rotting, decay and various diseases were caused by bacteria and that cooking in water not only stops rot and decay but also killed the disease-germs. The process of momentary heating of a product where the harmful bacteria are destroyed, without damaging the product itself is named after him "pasteurization".
Thanks to the work of Pasteur and because carcasses and such already exist for 75% water, it was discovered that they were made harmless by heat treatment alone. So it was not necessarily needed to burn them.

Denis Papin discovered not only that at a higher pressure water boils at a higher temperature. Around 1679 he also discovered that vegetables, meat and even bones at higher pressures were much faster and more easily "cooked".  He did his discoveries with an iron boiler, which can be clamped the lid fully secured: the (steam)digester. By the way To prevent explode he developed also the first safety valve.

In 1681 he made in his invention a powerful and nutritious broth by bones by cooking meat in three hours at a pressure of 2-3 atm. and at a temperature of 121-135 ° C. He obtained this pressure, by evaporating the water from the meat into steam. The broth he shared out to the poor.
Papin considered this fast cooking of the meat and the bones as a kind of digesting  and called his device therefore a "digesteur" or digester.
Because of the risk of explosion it would still take a century before Napoleon will use the steamdigester in his army kitchens and in the second half of the nineteenth century the digester began the advance as "autoclave". Eventually the digester captured in 1915 as "pressure cooker" the households in the world.


From about the second half of the nineteenth century until nowadays thanks to the inventions of Papin and Pasteur the autoclave as rendering cooker is still the heart of animal rendering: 


Ondanks al zijn briljante uitvindingen sleet Denis Papin zijn laatste levensjaren Londen in eenzaamheid en armoede. Door de gehele wetenschappelijke wereld vergeten stierf hij rond 1710. Zijn precieze sterfdatum is onbekend ….   
  
Despite all his brilliant inventions lived  Denis Papin the last years if his life out in London in loneliness and poverty. Throughout the scientific world's forgotten he died about 1710. His precise date of death is unknown ....   
bron http://en.wikipedia.org/wiki/Denis_Papin

dinsdag 9 december 2014

Eten wat de vilderspot schaft…Take (skinners)potluck..

 Animal Rendering - Destructie Column part 14
Please scroll down for the English version

Eten wat de vilderspot schaft…

In grote delen van onze moderne wereld moeten wij er niet aan denken maar zeker tot in het begin van de negentiende eeuw werd kadavervlees gewoon gegeten. De vilders van toen wisten blijkbaar - als ervaringsdeskundigen - hoe dat zonder gevaar voor hun gezondheid kon.  

Onderzoekers hebben van de vilders op het Parijse Montfaucon toen ook aangetoond dat zij – ondanks de vreselijke stank en andere weerzinwekkende omstandigheden – niet alleen kerngezond waren maar zelfs ook oud werden.  Niet zelden werden de vilders 60-70 jaar oud en  bijna allemaal zijn ze aan ouderdom gestorven. Eén van hen is zelfs 84 jaar oud geworden.
En dat was in die tijd echt stok en stok oud!

Met het oog op deze Decembermaand enkele vildersrecepten uit die tijd…..

Net zoals wij tegenwoordig bouillon trekken uit een soepbot, zo deden de vilders dat ook.   
Pezen en stukken werden fijn gesneden en met tienmaal zoveel water plus een gele raap met peper en zout 6 tot 8 uur lang gekookt. Na zeven liet men de opgevangen vloeistof rustig afkoelen tot een krachtige en uiterst voedzame gelei.

Vlees van nog verse kadavers op de vilderijen ook gegeten . Het vlees werd met huid en haar in zodanige stukken gesneden, dat het in de speciaal daarvoor bestemde kookpot paste. Deze pot werd eerst half gevuld met water en aan de kook gebracht. Dan kwam het eerste het stuk vlees erin dat men net zolang liet koken, totdat de haren los lieten. Het stuk vlees werd uit de kookpot gehaald en de haren eraf geschraapt. Dit “recept” herhaalde men net zo lang totdat alle stukken vlees op deze wijze waren “bereid”.  Tenslotte bracht men het vlees met zout en eventueel peper op smaak… Door dit vlees vervolgens op hete stenen of een hete ijzeren plaat uit te drogen, kon dit gedurende lange tijd worden bewaard. Het uitgedroogde vlees kon later in dunne plakjes of na weken of opkoken in water weer worden gegeten.
Het kookvocht ging na zeven, om de haren te verwijderen, en afkoelen naar de varkens.

Vlees, dat niet meer door de mens kan worden gegeten kon tot varkensvoer worden verwerkt door het te mengen met gekookte aardappelen. Verbrokkelen van het vlees en mengen met graan gaf een heel goed kippenvoer, dat kippen graag lusten en waarvan ze goed groeiden.

Gekookt bloed, gelei en kleine stukjes vlees werden gemengd met brooddeeg voor brood.  Meteen nadat zo’n brood gebakken was, werd dit in plakken gesneden en in een oven uitgedroogd. Op een droge plaats werd dit als voedselvoorraad bewaard.

De vilder kookten vlees niet alleen ook werd het gebraden .Hiervoor moest dan wel de huid nog aan het vlees vast zitten. Eerst werden met kokend water en door schrapen de haren van de huid verwijderd. Dan werd het vlees met de huid naar onderen in een schotel van gebakken aarde of in een pan gelegd, een weinig water toegevoegd en werd het geheel op het vuur gezet. De schotel of de pan werd afgesloten met een deksel, met daarop gloeiende kolen.  Op deze wijze had men dan een soort oven, waarin het vlees werd gebraden. Het vleesvocht liep naar beneden maar kwam daarbij niet verder dan de huid, waardoor het vocht in het vlees bleef en er zo een smakelijk, zacht en mals stuk vlees werd verkregen.

Tenslotte werden mits voldoende vers en niet aan een of andere ziekte doodgegaan aten de vilders en hun gezinnen niet alleen (kadaver)vlees van paarden, koeien,varkens en schapen maar ook dat van honden, katten en zelfs ratten. In nood zelfs ook marters, hoewel deze – hoe vers ook – stonken en daarom alleen maar gegeten werden als er echt niets anders meer was.

Smakelijk eten, Bon Appetit, Enjoy yor meal , buen apetito, Velbekomme, slamat makkan


Voor het overige wens ik U allen een zalig Kerstfeest en een gelukkig en voorspoedig 2015


Take (skinners)potluck..

In large parts of our modern world - now we must not think about that - but certainly in the early nineteenth century cadaver meat was just eaten. The skinners of that days apparently knew - as experts - how the coud do that without any danger for their health.

Researchers have shown that the skinners of the knacker-yards of Montfaucon near Paris  - despite the horrible smell and other horrific circumstances – were not only as sound as a roach but they also grew old. Not infrequently the skinners grew 60-70 years old and almost all of them have died of old age. One of them has become even 84 years.For that times that was very elderly!

In view of this month of December I give you some “skinner recipes” from that time ... .

Just as we now draw broth from soup-stock, so did the skinners too.
Tendons and pieces of skin were chopped and cooked for 6-8 hours with ten times as much water plus a yellow turnip with salt and pepper. After straining the collected liquid is allowed to cool quietly to a powerful and highly nutritious jelly.

Meat from fresh carcasses of fallen livestock was also eaten by the skinners. The meat  with the skin and hair in cut in such a way, that it just fits in a dedicated cooking pot. This pot was first half filled with water and brought to boil. Then the first piece of meat was put in it and was cooked until the hair let loose. The piece of meat was taken out from the put and the hair was scraped off. This "recipe" was repeated  until in this way all pieces of meat were prepared. Finally, one brought the meat with salt and pepper to taste ... Then by drying out this meat on hot stones or a hot iron plate, this meat could be kept for a long time. Later the dried-out meat could be cut in thin slices, weekened or boiled in water to be eaten.
The cooking liquid was strained in order to remove the hair, and cool down and given as food to the pigs.

Meat, which no longer can be eaten by humans could be processed to pig food by mixing with boiled potatoes. Crumble of the meat and mixing it with corn results in a very good chicken food, that chickens like and of which they grew well.

Cooked blood, jelly and small pieces of meat were mixed with bread dough for bread. Right after such a bread was baked, this was sliced and dried in an oven. This was kept in a dry place as food supply.
Skinners not only cooked meat they also roasted it. To do so it was necessairy that the skin is still stuck to the meat. After it was boiled in water by scraping the hair was removed from the skin . Then the meat with the skin downward was put in a dish of pottery or in a pan, added a little water to it and the whole were put on the fire. The dish or the pan closed with a lid, with glowing coals upon it. In this way, one had a kind of oven, in which the meat was roasted. The meat moisture ran down but it came not beyond the skin, causing the moisture in the meat remained and so a tasty, soft and tender piece of meat was obtained.

Finally on condition that it was fresh and not from an animal died to one or other disease the skinners and their families eate not only (carcass) meat of horses, cows, pigs and sheep but also that of dogs, cats and even rats. In need they eate even martens, although this – how fresh – they stinks and therefore martens were only eaten if there really was nothing else.

Smakelijk eten, Bon Appetit, Enjoy yor meal , Buen apetito, Velbekomme, Slamat makkan


For the rest:  I wish you all a Merry Christmas and a Happy, healthy  and Prosperous 2015



Bron: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Hendrik_Valkenburg_Old_Kitchen_1872.jpg