Posts tonen met het label vilderij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vilderij. Alle posts tonen

woensdag 2 november 2016

Kadavervet: Goed tegen tbc,en goed voor soepele voetbalschoenen Carcass-fat Good against tuberculosis and goed for smooth footballshoes....

Animal rendering - Destructie Column part 31
Please scroll down for the English version

Kadavervet: Goed voor smeerseltjes tegen tuberculose en jicht, soepele voetbalschoenen en het onderhoud van cricket-bats.

Zo was hondenvet een zeer gevraagd “vilderij-product” en werd dit tot in de achttiende eeuw namelijk in vele streken gezien als een goed geneesmiddel tegen “longtering”of tuberculose. In Duitsland was in iedere streek een eigen “Schindersalbe” of Scharfrichtereipflaster”verkrijgbaar en dat gemaakt was op basis van hondenvet.. Het was alleen bij de vilderijen verkrijgbaar en elke vilder had hiervoor zo zijn eigen geheime recept, dat hij van zijn ouders erfde. De smeersels werden ook op de vilderijen gemaakt. Dat er op de meeste vildereijen het met de hygiene erbarmelijk was gesteld, deed er in die tijd niet toe. Men geloofde gewoon in de werking van het smeersel….
Soms ging het zo ver dat mensen zelfs hun eigen hond naar de vilder brachten voor het vet van het dier. De vilder maakte dan de hond af , onthuidde het kadaver, won het vet daaruit en leverde dit tegen bepaalde kosten - weer terug aan de eigenaar van de hond.
De verkoop van hondenvet was tot in de achttiende eeuw volledig legaal.. .

Niet alleen hondenvet werd in “medicijnen” verwerkt. In Engeland verwerkte een vilder nertsenolie in een smeerseltje, dat door de plaatselijke huisarts werd afgenomen. Hij gebruikte dat als middel tegen jicht en smeerde daarmee de gewrichten van zijn patienten in.

Ook sportverenigingen waren “klant” bij de vilder. Voetballers poetsten hun voetbalschoenen wel in met paardenolie om ze mooi soepel te krijgen en cricketers wreven hun bats in met paardenolie om zo het hout te “voeden” en te voorkomen dat de bats barsten of scheuren gingen vertonen.



Carcass-fat: good for ointments against tuberculosis and gout, smooth soccer shoes and maintenance of cricket-bats.

So dog-fat was a highly demanded "knackery product" and in fact this was until the 18th century in many areas seen as a good medicine against lung tuberculosis. In every region in Germany there was a private "Schindersalbe" or „Scharfrichtereipflaster " based on dog-fat. It was only available at the knackeries and each knackerman had its own secret recipe that he inherited from his parents.

The ointments were also made on the knackeries. The fact, that at most oft he knackeries the hygiene was lamentable, did not matter at that time did not matter. It was believed just in the working of the ointment ....
Sometimes it went so far that people even brought their own dog to the knacker for the fat of the animal. The knacker then killed the dog , flayed the body, rendered the fat therefrom and delivered this against certain cost-back to the owner of the dog.
Until the 18th century the sale of dog-fat was completely legal.. 

Not only dog-fat was processed in "medications". In England a knackerman processed mink oil in a ointment, that was taken by the local family doctor. He used that as a remedy against gout and rubbed this on the joints of his patients.

Also several sports clubs were "customer" at the knackery. Footballers polished their soccer shoes with horse-oil to make them smooth and cricketers rubbed their bats in with horse- oil avoid the bats burst or cracked.


Zowel voor middeltjes tegen tbc als voor schoenpoets voor de voetbalschoenen wist men de  vilderij te vinden
Both for remedies against  tuberculisis  as for shoepolish for football shoes people knew to find the knackery

donderdag 22 september 2016

Honden- en kattenvellen Dog- and cat skins

Animal rendering - Destructie Column part 30
Please scroll down for the English version

Op vele vilderijen werden ook dode honden en katten gevild. In onder andere Duitsland moesten de vilders niet alleen de wilde honden en katten vangen, maar ze ook doden. Als er sprake was van een enkele hond of kat werd deze verdronken of meestal met één klap doodgeslagen. Bij een grotere aantallen werden de dieren vergiftigd of met koolmonoxide vergast. In Frankrijk werden levende zwerfhonden en katten eerst naar een speciale “opvang” gebracht, waar ze werden afgemaakt en naar de vilder gebracht. In Parijs verzamelden de voddenrapers de dode honden en katten en brachten ze naar de vilderijen.. “Verse” honden- en kattenkadavers werden niet alleen gevild maar ook zorgvuldig uitgeslacht. Om de bout niet meer als dat van een hond of kat herkenbaar te laten zijn, werden de onderpoten, de kop en de staart er afgesneden. Alleen verse kadavers kond men zo “verhandelen” en daarom vingen de voddenrapers ook honden en katten, die ze dan levend en wel naar de vilders brachten. Op de vilderijen waren dan ook geregeld vastgebonden honden en katten wachtend op hun trieste lot. Niet zelden werden deze dieren ook door rondzwervende “honden- en kattenmeppers” aan de vilders verkocht.

Hondenleren handschoenen
Het schijnt dat hondenvellen zeer geschikt waren voor het maken van handschoenen. In Duitsland was het in de zeventiende en achttiende eeuw heel gebruikelijk, dat de vilders verplicht waren om jaarlijks de stads- en dorpsbestuurders hondenleren handschoenen te geven.


Dog and cat skins

On many knackeries also dead dogs and cats were skinned. In Germany the Skinners not only had to only capture the wild dogs and cats, but they have also to kill them. If there was only a single dog or cat was the animal drowned or hit mostly with one beaten to death. At a larger numbers of the animals they were poisoned or gassed with carbon monoxide. Stray dogs and cats living in France were brought first to a special "care", where they were killed and then brought tot he knackery. In Paris the rags-collectors collect the dead dogs and cats and took them to the knackeries. "Fresh" dog and cat carcasses were not only skinned but also carefully slaughtered. To reach that the quarter was not anymore recognizable as that of a dog or cat the lower leg, the head and tail cut off . Only fresh bodiescould be traded and therefore the rags caught the dogs and cats aliveand took them still alive and well tot he knackeries. On the knackeries were regularly tied up dogs and cats waiting for their sad fate.

Gloves made of dogs-leather
it seems that dogs leather was very suitable for making gloves. In Germany it was very common in the seventeenth and eighteenth centuries, that the skinners were obliged to provide every year the city- and villagedirectors with dogs leather gloves.



Vaak rondzwervende honden- en kattenmeppers brachten honden en katten dood of levend naar de vilderijen.
Often roaming dog and cat catchers brought dogs and cats dead or alive to the knackeries
Bron afb. wikimedia commons

maandag 5 januari 2015

Vilder zoekt Vrouw - Skinner wants a Wife

Animal Rendering - Destructie Column part 15
Please scroll down for the English version

Vilder zoekt Vrouw 

Tussen de oude destructie-installaties van Podewils, RUJAK, Hartmann en IWELL- Laabs vond ik deze advertentie uit 1928, waarin een Duitse vilder (Abdecker) een huwelijkkandidate zocht……………..

Met deze knipoog naar Yvonne Jaspers' Boer zoekt Vrouw, wens ik iedereen een gelukkig, gezond en voorspoedig 2015

Skinner wants a Wife


Between the old rendering plants of Podewills, Hartmann RUJAK and IWELL-Laabs I found this advertisement from 1928 in which German skinner was looking for a wife…….

Together with giving the Dutch TV-format of Yvonne Jasper a wink I wish you all a happy, healthy and prosperous 2015


Bron: Zeitschrift für das gesamte Abdeckereiwesen

donderdag 9 oktober 2014

Vetsmelten met zuur Rendering with acid

Animal Rendering - Destructie Column part 12

Please scroll down for the English version

Naast het droog- en het natsmelten in open ketels ging men in de negentiende eeuw bij het smelten zuur aan het water toe voegen. Zo werd er meer vet gewonnen doordat zuur een extra open brekende inwerking heeft op de celwanden. Met zwavelzuur ging dat het beste.   

De kadavers en delen daarvan lagen in met lood beklede houten kuipen in geconcentreerd zwavelzuur. Behalve in deze kuipen werd dat ook wel gedaan in met gips en tegels bekleedde groeves of in vaten van “gres” .  Gres is een tegen zuur en hoge temperatuur bestand keramische materiaal en bovendien voor de meeste vloeistoffen ondoordringbaar. 
Dikke loden platen moesten er voor zorgden dat de hele zaak goed onder gedompeld bleef.
Na een dag of tien was het geheel in de kuip veranderd in een stroperige, donkerbruine brij met daarop een laag vet.  Hooguit bleven hierbij tanden, kiezen, hoeven en horens over.
Het vet was bijna zwart en van een dusdanige slechte kwaliteit, dat dit amper nog verbeterd kon worden. De brij werd in een cementen kuil tot een vaste stof gemengd met beendermeel, waarbij het overtollige zuur werd geneutraliseerd. Na vermalen had men een goed strooibare “kunstmest. Ook miltvuurkadavers werden zo verwerkt en omgezet in geheel onschadelijk vet en kunstmest.
Op vele vilderijen in met name Frankrijk en Duitsland werd tot aan het einde van de negentiende eeuw zo gewerkt. In Amerika was het proces van Gotleb uit 1869 hiermee  vergelijkbaar. Door de slechte kwaliteit van het vet en het gevaar van het werken met geconcentreerd zuur voor de vilders zelf, werd deze verwerking vrij snel in de eerste helft van de twintigste eeuw verlaten.

Een andere methode was het in gietijzeren ketels koken van kadavers en afgekeurd vlees in verdund zwavelzuur.  In het Duitse Erfurt werd rond 1900 alle kadavers en alle afval van de slachthuizen uit de hele omgeving zo verwerkt.
In plaats van gietijzeren ketels werden toch ook weer de houten met lood beklede kuipen gebruikt. Het koken deed men dan door met stoomlansen direct stoom in de kuip bij het materiaal te spuiten, zodat meteen ook de inhoud van de kuip constant in beweging werd gehouden. De kadaverdelen moesten echter wel steeds weer worden ondergedrukt. Het met verdund zuur verkregen vet was duidelijk van een betere kwaliteit.

In Parijs was er aan het einde van de negentiende eeuw een bedrijf, waar men met 12 van deze kuipen per dag 12 000 tot 17 000 kilo kadavers, slachtafval en ander vethoudend materiaal verwerkte. Dit bedrijf had het alleenrecht om alle kadavers en vetachtig materiaal, afkomstig uit de Seine te verwerken. Men had hiervoor speciale brede schuiten met een zelfsluitend dek. Elke schuit had een stuurman, een belader en een hond om de kadavers op te sporen. De belader "prikte” dan het kadaver aan een pikhaak, liet de “lucht” uit het kadaver ontsnappen en trok het vervolgens op het dek aan boord. Door zijn gewicht viel het kadaver door het dek in het ruim waarna het dek zich weer sloot. Uiteindelijk ging alles in vaten naar de fabriek.
Later hadden ze een soort kofferdammen in de rivier om alle drijvende materiaal op te vangen. Hierdoor was er voor het ophaalwerk maar één man per boot nodig.
Per jaar werden zo duizenden kadavers uit de Seine gevist. Het hieruit gewonnen vet werd als wagensmeer verkocht.

Rendering with acid
 In addition to the dry- and wet rendering of fat in open kettles in the nineteenth century one started with adding acid to the melt water. in that way more fat was obtained because of the fact that acid has extra open breaking effects on the cell walls. The best results were obtained with sulphuric acid.   In with lead-lined wooden tubs the animal carcasses and parts thereof lay in concentrated sulfuric acid.  Except in these tubs this was also done in with plaster and tiles faced ditches or in barrels of "gres" or glazed stoneware.  Gres is a ceramic material high resistant to acids and high temperatures and it impermeable for most liquids. 
Thick lead plates upon all had to ensure that the whole thing remained well submerged.
After a day or ten was the whole in the tub was changed into a syrupy, dark brown mess  with a black layer of fat on top of it..  At most, teeth, hooves and horns remained. The fat was almost black and of such poor quality, that this hardly could be improved. In a cement pit the mess was mixed with bone meal to a solid and at the same time the excess of acid was neutralised. After grinding one had a good spreadible "fertilizer”. Also anthrax carcasses were so processed and converted into completely harmless fertilizer and fat.
In particular France and Germany in many knacker-yards was worked so until the end of the nineteenth century. In America the process of Gotleb from 1869 was quite similar with this procedure. Due to the poor quality of the fat and the danger of working with concentrated acid for the skinners themselves, this processing was abandonned quite fast in the first half of the twentieth century.

Another method was the cooking in cast iron boilers of animal carcases and condamned meat in dilute sulfuric acid.  In the German Erfurt all animal carcases and offal from all the whole environment were so processed.
Instead of cast iron boilers were - again - the lead-lined wooden tubs used. Boiling with steam lances was done by directly injecting steam in the contents of the tub, so that these contents constantly kept stirred. However, the carcass-parts had to be submerged again and again. The obtained fat was clearly of better quality.

At the end of the nineteenth century a Paris company processed with 12 of these tubs each day 12 000 to 17 000 kilogrammes of animal carcases, offal and other greasy material. This company had the exclusive right to process all animal carcases and fatty material from the Seine. One use a special wide barges with a self-closing deck. Each barge had a mate, an assistant and a dog to trace the carcasses. The assistent "poked" than the cadaver to a boathook, let the "air" escape out of the carcass and then pulled it on the deck on board. By its weight the carcass fell through the deck and the deck closed again. At the end everything went in barrels to the factory. Later they had a kind of cofferdams in the river to catch all the floating material. As a result, only one man per boat was needed for the pick-up work. Every year thousands of carcasses were fished from the Seine.  The fat was sold as wheelgrease.

Vetsmelten met zuur
Rendering fat with acid

Bron: Paulian, Louis. La Hotte du chiffonnier. 1910. BnF Gallica
                                         


woensdag 10 september 2014

Het begin van de verdere winning van vet uit dierlijk afval The start of rendering of fat from offal

Animal Rendering - Destructie  Column part 11

Please scroll down for the English version

Al die tijd, toen er nog geen aardolieproducten waren, was vet duur en was het de moeite waard om uit kadavers ook nog de kleinste beetjes te winnen. Hiervoor kookte men ingewanden, botten en allerlei andere kadaverresten.
Wanneer dit “droog”, dus zonder toevoegen van water gebeurde, werd alles vaak te heet en verschroeide niet zelden het vet. Om dit te voorkomen kookte men het materiaal  in (zout) water uit; het zogeheten “nat smelten”. Het gesmolten vet kwam op het water drijven, werd afgeroomd en in vaten gedaan.
Tot ver in de negentiende eeuw gebeurde zowel het droog als het nat smelten onder de normale druk van 1 atmosfeer.

Deze twee werkwijzen waren de nog primitieve voorlopers van de tegenwoordige destructie door de “natte” en “droge” methode ofwel de “wet rendering” respectievelijk  “dry rendering” 

Tegenover het voordeel dat bij “nat-smelten” het vet niet schroeide stonden - bij deze nog eenvoudige methode - de nadelen dat niet alle vetcellen open barstten en dus niet alle vet uit smolt. Bovendien moesten – toen nog handmatig - de vlees(delen) en botten telkens weer onder water worden gedrukt.   

Om zo min mogelijk vet verloren te laten gaan werden de vlees- en botresten uitgeperst. De lepel en de schuimspaan werden hierbij al snel vervangen door een pers, die te vergelijken was met die voor wijn of olijven.  Bij de “open” persen, kwamen de nog hete uitgekookte resten in zakken of in lappen tussen platen en bij de “gesloten” persen, in een geperforeerde en sterke kuip, die van binnen met filterdoek was bekleed.
Door aandraaien van een drukstuk in de pers werd het vet uit de vaste resten geperst waarna dit via een opvanggoot via een zeef in vaten werd gegoten. Wanneer er nat was gesmolten en er ook water niet alleen vet maar ook water werd uitgeperst vloeiden vet en water door de zeef eerst nog in een bak, waar het vet van het water kon worden afgeroomd.
In sommige gevallen, waarbij grotere hoeveelheden materiaal moesten worden uitgeperst werd ook wel een vertikale molensteen gebruikt, die in een cirkel-vormige trog draaide

De uitgeperste vaste massa werd meestal ergens op de vilderij in de open lucht gedumpt om daar te verrotten. Soms werd dit gemengd met kalk waarbij er na een jaar er een soort vettige grond ontstond. Dit werd dan onder een afdak gebracht, van tijd tot tijd omgezet en verder gemengd met aarde. Na 3 jaar is alles een droge nagenoeg reukloze kunstmest geworden, om als zodanig te worden verkocht.

Net als het droog smelten stonk ook dit nat smelten. Vooral wanneer het materiaal, dat werd verwerkt, niet meer zo “vers”was . Bij het droog smelten was dat de schroeilucht van het al in meer of mindere mate bedorven vlees en vet. Bij het nat smelten ontstond er – naast het vrijkomende vet – ook stinkende schuim. Aanvankelijk gooide men niet alleen dit schuim weg maar liet men ook het kookvocht zelf meestal weg lopen, dat dan ogenblikkelijk begon te rotten en vreselijk te stinken. Wanneer er weinig water beschikbaar was, kookte men de volgende lading gewoon weer in hetzelfde water. Maar hoe vaker dit gebeurde, hoe erger het ook het uitkoken ging stinken.  Tenslotte werd de stank nog verder verergerd door het gebruik van de botten en vette kanen als brandstof.
.


The start of rendering of fat from offal

All the while, when there were still no petroleum products, was fat expensive and it was worth getting the smallest bits of it out of animal carcasses. To do this, one cooked intestines, bones and all sorts of other carcass remains. When this happened "dry", so without adding water, everything often became too hot and not rarely the fat scorched. To avoid this one cooked the material in (salt) water: the so-called "wet melting". The rendered fats came float on the water, was skimmed off and done in barrels.
Far into the nineteenth century both the dry as the wet process happened  under the normal pressure of 1 atmosphere.

These two practices are the primitive forerunners of the today's modern “wet” respectively “dry (animal) rendering”  method.

Opposite the advantage of this wet melting that the fat were not scorcing  -this still simple -  method had the disadvantages that not all fatcells burst open and not all fat could be rendered.
In addition, the meat (parts) and bones had to to be still manually pressed under water again and again.    
To minimize the losses of fat the meat and bones were squeezed. The spoon and the skimmer were soon replaced by a press, which was to compare with those for wine or olives. At the "open" presses, the still hot boiled out remains were put in bags or in rags between plates and at the "closed" presses, in a perforated and strong cabin, which was lined with filter cloth inside.
By tightening a pressure piece in the press the fat pressed from the solid remains after which it flows through a collection drain and through a sieve in barrels. When was “wet”melted and there was squeezed out not only fat but also water , from the sieve fat and water came at first into a trough, where the fat can be skimmed of from the water.
In some cases, where larger amounts of material had to be squeezed also a vertical millstone was used, which turned in a circle-shaped trough
The squeezed solid mass was usually dumped in the open air somewhere on the knacker-yard for putrefy.
Sometimes this was mixed with lime so that after a year it was converted into a kind of fatty soil. This was then brought under a canopy, from time to time turned over, and further mixed with earth. After 3 years it has become a virtually odourless all dry fertilizer, in order to be sold as such.

Just as the dry melt the wet melt also stank. This was espessial the case when the material, which was processed, was started to putrefy. In dry melting it was the odor of the scorching of the more or less rotten meat and fat. When wet melted there was – in addition to the evolved fat – also an evil smelling foam.
Initially one threw not only this foam away but usually let flow away the cooking water itself, which then immediately starts to putrefy and stink terribly. When there is little water was available, one cooked the next load again in the same water. The more often this happened the worse this boiling stinks. Finally, the stench even further aggravated by the use of bones and fat greaves as fuel.



Oude handbediende vetpers

Old manual operated lard press

Picture  http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Moulin






zondag 10 augustus 2014

Niet meer vernietigen maar verwerken;

No longer “destroying” but “rendering”


(Animal Rendering - Destructie column part 10)
Please scroll down for the English version

In de loop der tijd ontdekte men dat meer en meer delen van een kadaver gebruikt konden worden. Dat begon datgene, dat meteen zonder al te veel bewerkingen gebruikt kon worden zoals haren, hoeven, horens en de grote botten en natuurlijk de huid. Dit werd gevolgd door de delen, die wel meer bewerkingen nodig hadden zoals het vetweefsel, de kleine botten en als hekkensluiter uiteindelijk ook het vlees. In plaats van kadavers of de resten ervan volledig te vernietigen werden ze steeds meer verwerkt tot onschadelijke, nuttige en bruikbare producten.  
Eén van de eerste, zo niet dè eerste “cradle-to-cradle” of “recycling” aktiviteit werd geboren nog ver voordat we überhaupt deze begrippen kenden.
Dit verwerken gebeurde aanvankelijk geheel handmatig op ambachtelijke wijze. Pas rond en vooral na de (Europese) Industriële Revolutie van halverwege de achttiende begin negentiende eeuw kwam de fabrieksmatige werkwijze hiervoor in opkomst. Dat betekende overigens niet, dat toen het ambachtelijk verwerken dan ook maar meteen verdween. Nog tot in de jaren vijftig en zestig hebben in delen van Europa de klassieke vilderijen en de moderne destructie-bedrijven naast elkaar bestaan.

Het nog eenvoudig winnen van het vet
Een belangrijk deel van een kadaver, dat pas door bewerking nuttig kon worden was het vetweefsel of “spek”, waaruit vet werd gewonnen. Vet gebruikte men onder andere voor bijvoorbeeld verlichting, karrensmeer, zeep en het soepel maken van leer. Pas in het midden van de afgelopen eeuw zou vet steeds meer door aardolieproducten worden verdrongen.

Vet zit in het dier samen met vocht opgeslagen in vetcellen met eiwitwanden en die met elkaar verbonden zijn tot het vetweefsel of “spek”.  Dit weefsel zit overal in het vlees verdeeld maar het meester zit direct onder de huid, om de buik, rond het hart, de nieren en bij de darmen. Tot ver in de Industriële Revolutie werden op de vilderijen ook de kleinste stukjes vetweefsel vaak door de vildersvrouwen helemaal handmatig overal uit het hele kadaver gehaald en uitgesmolten. Zo waren in de negentiende eeuw op de grote vilderij van Montfaucon bij Parijs twee vrouwen het gehele jaar door hier elke dag mee bezig.  
In de meest eenvoudige vorm werd het spek in kleine stukjes gesneden al roerende verhit in een eenvoudige ijzeren ketel of pan, die boven open vuur aan een driepoot hing of op een standaard stond. De celwanden barsten open, schrompelden als vaste “kanen” ineen, het vocht verdampte en vloeibaar vet kwam vrij.  Wanneer er geen vocht meer verdampte en de kanen harder werden stopte men met roeren en verwarmen en schepte met een soort schuimspaan de kanen uit de ketel. Met de bolle kant van een lepel werd uit deze kanen nog het aanhangende vet zoveel mogelijk uitgedrukt.  Het vet werd in vaten gedaan, koelde daarin af en was zo klaar voor de verkoop. 
Afgezien van het brandgevaar ging er bij het zo smelten van vet boven open vuur, erg veel
warmte verloren. Daarom legde men een deksel op de pan en schermde men alles met eenvoudige schermen zoveel mogelijk af. In de achttiende eeuw werd dit alles verbeterd door ketel en stookplaats samen als één geheel te ommuren. De schoorsteen hiervan was vaak niet hoger dan een halve meter.  Vuur en gassen gaven  hun warmte iets beter aan de ketel af en het brandgevaar werd zo enigszins beperkt omdat het vuur zich nu minder gemakkelijk kon verspreiden. Omdat de deksels niet goed sloten bleven het  zo geheten “open” ketels. 

No longer “destroying” but “rendering”

In the course of time it was discovered that more and more parts of a dead animal could be used. That began with that what could be used right away without too many operations such as hair, hooves, horns, the large bones and - of course - the skin. This was followed by the parts, which needed more operations such as adipose tissue, the small bones and if bringing up the rear in the long run also the meat. Instead of completely destroying carcasses or the remains of that they were more and more processed into harmless, useful and usable products.
One of the first, if not the first "cradle-to-cradle" or "recycling" activity was born  far before we even knew these concepts.
This process happened initially entirely manual with traditional methods. Just around and especially after the (European) industrial revolution of the mid-eighteenth early nineteenth century factory-made method arosed. That didn’t mean, that the craft process also  immediately disappeared. Still in the 1950s and 1960s in parts of Europe the classical  “knacker-yards” and the modern animal- rendering companies did coexist.

The in the beginning simple rendering of fats
An important part of a carcassr, which can be made usefull by processing is the adipose tissue, from which fat was rendered. Fat was among other things used for example for lighting, lubricating of carts, making soap and smoothening of leather. Only in the middle of the past century fat would more and more be displaced by petroleum products.
In the animal body fat is along with moisture stored in fat cells which have with protein walls and  which are connected to the adipose tissue.  This tissue is distributed throughout the meat but most of that is directly under the skin, to the abdomen, around the heart, the kidneys and the intestines. Far into the industrial revolution also the smallest pieces of this tissue was on the knacker-yards manually cutted out everywhere from the whole carcass and rendered by the women. So in the nineteenth century on the great knackeryard of Montfaucon in Paris two women were cutting and rendering fat every day throughout the year.
In the most simple form the adipose tissue was cut into small pieces and heated while stirring in a simple iron boiler or pan, which hung on a tripod or standing on a standard over open fire.  The cell walls burst open, schriveled into fixed greaves, the moisture evaporated and liquid fat came free. As soon as no more moisture evaporated and the greaves became harder one stopped with stirring and heating and with a kind of skimmer one scooped the greaves from the boiler. With the rounded side of a spoon the still adhering fat was squeezed out of the greaves as much as possible.  The fat was put in barrels, where it cooled off and was so ready for sale.  
Apart from the fire hazard the melting of fat over open fire caused very much lost of heat. Therefore a lid was put on the pan and everything was fenced as much as possible with simple screens. In the eighteenth century all this was improved by walling in boiler and fireplac together as a whole. The chimney of this was often not higher than half a meter. Fire and boiler gases gave their heat off slightly better to the boiler and the fire hazard was somewhat limited because the fire could spread less easily.  Because the lids does not good lock the boilers remained the so-called "open boilers” or “openkettles”. 



De vrouwen op de vilderijen sneden het vetweefsel uit de kadavers en smolten dit ook uit.
Deze vildersvrouw heeft in een ribbenkast als wieg haar baby bij zich.

At the knackeryard cutting out and rendering fat from carcasses was often women’s work 
This Skinners woman has in a rib cage as a cradle her baby with her. 

Picture:  Parent Duchatelet : « Les chantiers d'equarrissage de Paris »  1832

donderdag 10 juli 2014

Verbranden van kadavers in ovens; Incineration of animal carcasses (Animal Rendering - Destructie column part 9



Please scroll down for the English version

Het verbranden van kadavers op brandstapels en in kuilen was lang niet altijd even effectief. Niet zelden bleven de overgebleven resten pathogeen materiaal bevatten. Om wel een volledige verbranding te verkrijgen, ging men in de tweede helft van de negentiende eeuw experimenteren met het verbranden hiervan in ovens.
Het slachthuis van Gotha had een “kamer” met kleppen in het rookkanaal van de ketelvuren naar de schoorsteen. In deze kamer werden de afgekeurde vleesdelen gehangen. Door openen van de kleppen naar de kamer en het sluiten van de rechtsstreekse verbinding door het rookkanaal, moesten de rookgassen door deze kamer stromen. Door de hitte werden de hier hangende vleesdelen verast. Om de “kamer”weer leeg te halen en met nieuw vlees te beladen, de directe verbinding in het rookkanaal weer geopend en werden de kleppen naar de kamer gesloten.

Tijdens een uitbraak in 1880 van miltvuur rond Forbach verbrandde de veearts Feist de kadavers in een het trechtervormige deel van een omgebouwde cementoven, waarin de kadavers er in hun geheel zo in pasten.

In Engeland en Duitsland werden kadavers en afgekeurd vlees ook wel in de retorten van de gasfabriek of rechtsstreeks in ketelvuren verbrand. Deze twee methoden hadden grote nadelen: De retorten en de stookplaatsen vervuilden hierdoor sterk en werden tevens door het verbranden van kadavermateriaal aangetast. Bovendien moesten kadavers door de stokers hiervoor eerst in hompen worden verdeeld, hetgeen gemakkelijk tot infecties kon leiden. Regelmatig werd dit werk dan ook geweigerd. Tenslotte leverde dit vele stankklachten uit de omgeving. Daarnaast gebeurde het wel, dat zo half verbrandde delen door de schoorsteen naar buiten werden gesleurd en in de omgeving weer terecht kwamen……….

In Duitsland en Hongarije waren er ook mobiele ovens Zo’n oven was een smeedijzeren cilinder met daarop een scharnierende schoorsteen, aan de voorkant de stookplaats en aan de achterkant een hermetisch te sluiten deur voor het kadaver. Op een verrijdbare en scharnierende slede en rails werd het kadaver in de oven geschoven. Met ong 200 kg hout kon zo ter plaatse in 4 uur een (groot) kadaver geheel worden verbrand…

Het meest gebruikt – zijn de speciaal hiervoor ontworpen ovens, waarvan die van Kori het bekendst is. Deze “Tierleichenverbrennungsöfen” waren van steen met een vuurvaste binnenbemetseling. In de kleine ovens kon maar één groot kadaver of een klein aantal kleinere tegelijk verbrand worden. De grotere ovens waren in twee delen verdeeld. In het bovenste deel werd het “verse”materiaal zodanig voorverhit, dat het meeste water hieruit verdampte. Door het openen van een klep liet men de massa in de tweede (verbrandings) ruimte vallen, waarin de gedroogde massa vlam vatte en verbrandde. Ondertussen kon de bovenste ruimte opnieuw worden beladen. Tenslotte gleden de verbrandingsresten rechtstreeks in het kolenvuur, waar alles volledig werd verast.


Incineration of animal carcasses
The burning of animal carcasses on pyres or in pits took a long time and did not occur always effective. Not rarely the remnants still contained pathogenic agents. In order to obtain a complete combustion, in the second half of the nineteenth century experiments were done with burning meat and carcasses in ovens.
The slaughterhouse of Gotha had a "room" with valves in the flue from the boiler fire to
 the chimney. The rejected meat- and carcassparts were hung In this room. By opening the valves to the room and closing those the direct connection in the flue, the flue gases flows through this room. By the heat the in the room hanging meat parts were incinerated. In order to open the room, cleaning it out and charging it again with new meat, the direct connection in the flue had to be opened again and the valves to the room had to be closed.

During an outbreak of anthrax in 1880 around Forbach the vet Feist burned the bodies the funnel-shaped part of a converted cement oven, in which a complete cadaver as a whole fits in there. In England and Germany carcasses and rejected meat were also incinerated in the retorts of the gas plant or directly in boiler fires. These two methods had major disadvantages. The retorts and the fireplaces were not only contaminated due to the combustion products of the meat and  cadaver material but they also corroded. In addition, animal carcasses at first had to be divided in hunks by the stoker, which easily could lead to infections. This work was regularly refused. This resulted in many stench complaints from the environment. In addition to that it sometimes happened that half burned parts were dragged out through the chimney  and came around again..........

In Germany and Hungary there were also mobile furnaces. Such a furnace consists of iron  cylinder with hinged chimney, a fireplace at the front and at the back a door, wich could be closed hermetically for the animal carcass. On a mobile and hinged slide and rails the carcass was slid into the oven. With approx. 200 kg wood a (large) carcass could  be burned on site in approximately 4 hours .

The most commonly used – are the specially designed ovens, of which that of Kori is the most known. These "Tierleichenverbrennungsöfen" were build of stone with fire-brick inside. In the small ovens only one big carcass a couple of smaller ones could de burnt at the same time. The larger ovens were divided into two parts. In the upper part the "fresh" material was preheated in that way that most of the water from the material evaporated here. After that by opening a slide the dried mass fall into the second (combustion) space in which the dried mass  flame and burned. Meanwhile the top space could be loaded again. Finally the combustion residue slipped directly into the coal fire, where everything was completely incinerated.


In sommige landen werden kadavers en afgekeurd vlees verbrand in de retorten van de gasfabriek. -
In some countries animal 
carcasses and rejected meat were incinerated in the retorts of the gas plant

Picture: 
http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Fakenham

donderdag 10 april 2014

Animal Rendering - Destructie Column part 6

Kadavers in Europa tijdens de Vroege Middeleeuwen.

Animal carcasses in Europe during the Early Middle Ages
Please scroll down for the English version


Deze aflevering gaat alleen over de situatie in het westen van Europa. Voor zover ik hen kunnen nagaan was de situatie In Noord Amerika een geheel andere en kwam het verwijderen en het verwerken van dierlijk afval in de negentiende eeuw pas echt goed op gang met de komst van de vleesindustrie of “meatpackers”.

Helaas is mij niets bekend over wat men (vroeger) met kadavers en dergelijke deed in bijvoorbeeld de huidige Russische Federatie, in de Aziatische landen of in Zuid Amerika. Ik hoop, dat iemand van U mij hierover meer kan vertellen.


In de Middeleeuwen (500 – 1500 n. Chr.) gingen de mensen in het huidige West Europa steeds meer dieren als als last- en werkdier houden. Daarnaaast werden de woongemeenschappen ook groter. De dieren liepen gewoon in de steden en dorpen rond en  dode dieren en slachtafval liet men vaak gewoon liggen.
Gaandeweg ontdekte men dat dit gevaarlijk konden zijn voor de gezondheid en daarom moest dit voortaan worden weggehaald. Men bracht de kadavers en slachtafval zo ver mogelijk weg om zomaar in het vrije veld verder te vergaan en te verrotten of ze kwamen op mesthopen of in het water terecht. Allerlei aaseters, zoals (wilde) honden, ratten, kraaien en vliegen hadden daarbij geheel vrij spel. Met het op deze manier wegwerken leek de boel opgeruimd maar het risico van ziekten bleef bestaan.  

Dit bleek wel toen in de Vroege Middeleeuwen - zo rond 700 n. Chr. – er aan dit ongeregelde wegwerken meer “orde” werd aangebracht. De dode dieren moesten voortaan buiten de dorpen en steden naar speciale daarvoor aangewezen plaatsen worden gebracht. Wat later werd het verplicht om ze daar niet alleen heen te brengen maar ook om ze te begraven. Omdat iedereen dit eerst gewoon op eigen houtje kon doen, gebeurde dit niet altijd naar behoren. Bovendien was dit begraven toen vaak niet meer dan een afdekken met een dun laagje aarde.
Op een gegeven ogenblik werden voor dit werk speciale mensen aangewezen, die daarbij ook meteen de afgedankte en zieke dieren moesten meenemen, afmaken en naar de stortplaats brengen. Naast dit werk moesten zij ook nog allerlei ander onaangenaam werk doen, zoals bijvoorbeeld het leeg halen van latrines. Niet zelden werden ze bovendien ook nog eens gedwongen om als “beul” misdadigers te onthoofden......

Als de huid nog goed was, vilden ze het kadaver en mochten ze de huid verkopen als aanvulling op hun vaak schamele inkomen. Dit gaf hun de naam van “vilder”. In het begin mocht dit villen overal gebeuren waar dit het beste uit kwam maar later mocht dit alleen nog maar bij de stortplaatsen. Zo ontstonden gaandeweg hier de vilderijen. De gevilde karkassen werden op de stortplaats alsnog gestort of begraven. Om van de rommel af te komen en om ruimte te krijgen werd in een aantal gevallen geprobeerd om deze resten te verbranden, wat vaak maar slechts voor een deel lukte. Hierdoor bleven dit soort stortplaatsen een potentiele bron van allerlei (vee)ziekten en parasieten.

Tenslotte waren de vilders verplicht paard en wagen te hebben – om ook ‘s zomers binnen korte tijd (in sommige plaatsen binnen vier uur) een kadaver weg te kunnen halen.

Diep triest was het dat deze vilders, die dit onaangename - maar ook toen al zeer noodzakelijke - opruimwerk deden, (in Europa) lange tijd compleet verguist en als “eerloos” geheel buiten de maatschappij gezet.

Wat de gevolgen waren van deze werkwijze, waarom de vilders als eerloos werden bestempeld en wat dit voor de vilders betekende vertel ik in een latere aflevering.


Animal carcasses in Europe during the Early Middle Ages

This part of the column describes only the situation in Western Europe. So far as I can ascertain was the situation In North America was completely different in removing and processing of animal waste. Only in the nineteenth century this was really well begun with the arrival of the meat industry or "meatpackers".

Unfortunately I am not aware about what one did (formerly) with animal carcasses and such  in - for example - the current Russian Federation, in the Asian countries or in South America. I hope, that any of you can tell me more about this.

In the Middle Ages (500 – 1500 ad), the people in the current Western Europe went to keep more and more animals as beast to burden or to work. In addition, the communities became also larger. The animals ran just around in the streets of the towns and villages and dead animals and offal often remains simply lie.
Gradually, it was discovered that this could be dangerous to health and therefore had to be taken away in future. One brought the animal carcases and offal as far away as possible to just put in the open field to rot or to putrefy and they came on compost heaps or in the water. All kinds of scavengers, such as (wild) dogs, rats, crows and flies had completely free game. In this way of getting rid of this this it seems  cleared up the mess but the risk of diseases continued to exist.

This turned out to be as such when in the early middle ages - as around 700 a.d. –  more order had to be applied on this irregular way of working. The dead animals have now to be brought outside the villages and towns to special designated places. Later on it was required not only  bringing them over there but also bury them. Because everyone could do this first just on its own, this happened not always properly. In addition, this bury was when often no more than a cover with a thin layer of ground. At any given time special people were designated for this work, and these people must also take away and kill the discarded or sick animals and bring them to the landfill. In addition to this work they had also to do all kinds of other uncomfortably work, such as clearing out of latrines. Not infrequently they were also forced to beheading criminals as "executioner"......

If the hide was in good shape, they skin the carcass  and the hide was sold to supplement their often meager income. This gave them the name of "skinner". In the beginning this skinning happened anywhere where this is the best came out but later should this just run at the landfills. This gave rise of the “skinneries” or knacker-yards at the landfills. The skinned carcasses were still dumped or buried at the landfill. To get rid of the garbage and make room in a number of cases, it was tried to get this to burn what remains often but only partly succeeded. As a result, this type of landfill-sites remains a potential source of all kinds of (livestock) diseases and parasites.

Finally, the skinners were required to have a horse-drawn carriage  – in order to take away a carcass within short time in summer (in some places within four hours).

Deep sad was it that these skinners, who did this unpleasant - but even then very necessary - clearing up, were (in Europe) for a long time  considered as "infamous" and were placed totally outside the society...

What were the consequences of this approach, why the skinners were labeled as infamous and what this meant for the skinners I will tell you later.



Ophalen van een dood paard door een vilder
Taking away by a skinner of a dead horse.


Bron afbeelding - Source picture 

 http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Thomas_Rowlandson_-_A_Dead_Horse_on_a_Knacker%27s_Cart_-_Google_Art_Project.jpg